IJzergieterij Ulft 1910

Houtskool met wat krijt J.Th. Toorop 1910
Het aftappen van het vloeibare ijzer 1904 (foto R. Velsink)

Het eerste werk dat Jan Toorop maakte bij de DRU te Ulft was een interieur schets van de gieterij. Dat hij de realiteit goed heeft benaderd geeft bovenstaande foto goed weer. Ook het tijdsbeeld komt overeen. Toorop had meer aandacht voor de werkende arbeider, het sociaal realisme , de industrieschilder Herman Heijenbrock daarentegen meer voor de industriele technologische aspecten.

In 1904 verscheen een artikel in de Hollandsche revue van Frans Netscher over diens bezoek aan de IJzergieterij en Emailleerfabriek Diepenbrock & Reigers. Hij werd hoogstpersoonlijk rondgeleid door directeur Frans Deurvorst en geïntroduceerd op alle afdelingen die leiden tot het gegoten en geemailleerd eindproduct. In de gieterij aangekomen geeft hij op treffende wijze zijn verslag weer.

Herman Heijenbrock DRU interieur ijzergieterij omstreeks 1918 (pastel)

“Daar wachtte ons een ongewoon, frappant schouwspel”. Het was een tafereel een schilderij van een Helschen van Breughel waardig. ’t Leek of er een gat gebarsten was in de huid van de Hel en alsof nu zijn gloeiende ziedende, kokende inhoud in een dikken stroom uit dit gat naar buiten stroomde, terwijl de helleknechten met langstelige vorken stonden te wachten om aan te vallen. Grote flakkers licht sloegen tegen de mensen, op den vloer en tegen de zoldering aan. Het was de klep van de smeltoven, die, omdat de inhoud gaar was, de vloeibare ijzerpap in een dikken, bijna wit gloeiende breistroom naar buiten liet glijden, zoo maar, alsof ’t er niets op aan kwam, alsof ’t waardeloos wegvloeide. Maar halfcircelvormig stonden de werklui gereed met groote lepels aan lange stelen, dicht bij de dikke, klonterig gloeiende straal, rossig beschenen door het gelige schijnsel van het bruischkokende gietsel, dat hun met schamplichten fantastich belichtte. Ieder op zijn beurt, op de rij af, hield dan de gietpan onder de straal. En zoodra die vol was, ging hij er mee lopen, op een klein drafje om zoo gauw mogelijk met zijn nog heete gietpap zijn vormen te bereiken, gebogen met het bovenlijf, naar beneden getrokken door het zware gewicht van de gloeiende vracht. En zoo dwaalden er overal door de hels-fantastische vormzaal van die gloeiende stippen in een macabere zwartheid heen.

Sommige van die gietpannen, groter en bestemd voor het gieten van groote voorwerpen, werden door twee van die helleknechten tusschen zich in gedragen aan lange draagstangen. En al die gietduivels liepen heen naar de vormen, die ze in de loop van den dag gemaakt hadden. En hun gietpannen opheffend naar het gaatje, dat ze in de gietaarde gespaard hadden om er het gietsel in te laten loopen en waarbij ze een klein stukje wit papier gelegd hadden om ’t in het halfduister beter te kunnen vinden, deden ze de vloeibare ijzerbrei er met één omhaal van de gietpan inloopen, dadelijk gaande naar den volgende vorm. Begaat de gieter hierbij een kleine onhandigheid, aarzelt hij even en laat hij het gietsel er niet inééns en in de juiste hoeveelheid invloeien, dan is het gegoten voorwerp bedorven. En aangezien de ijzergieters op stuk werken en de door hun schuld bedorven artikelen niet betaald krijgen, wordt er van hun een grote oplettendheid bij dit werk vereischt. Is de gietpan leeg, dan begeven ze zich weer naar het opengebroken hellegat, nemen weer plaats in de wachtende rij, om opnieuw aan de beurt te komen voor een nieuwe vulling en opnieuw het gedraaf met de gloeiende gietpannen door de zaal te beginnen. Onze oogen met de hand tegen de hitte beschermend, bleven we dit duivelengehol eenigen tijd staan aankijken, terwijl de heer Deurvorst ons inmiddels door eenige cijfers een denkbeeld trachtte te geven van wat hier omging, gaf hij het advies maar eens door te loopen ’t wordt hier wel wat te warm en ’t is slecht voor de oogen.!

Een fraai gedicht illustreert het zware werk van de IJzergieters

IJZERGIETERIJ

Zwarte avond donkerde al over de daken Van grauw fabriek met woninkjes terzij. Uit ovenschoorsteen van de gieterij. Door bleken walm flikkerende vlammen braken.

In ’t binnenduuster kropen werklui bij den zwarten grond om gietvorm klaar te maken. Voor de ovenmond stond al een man te waken. Wijst gietpandragers elk zijn plaats in rij.

Nu breekt uit ijzeren wand in vlammend vlieten Helgele stroom en spatten vuur omschieten. ’t Roodglansgelaat der mannen kalm en zwart.

Die dwalen rondom donker in: het gieten. Vlamt en verdooft nu hier en dan ginds, verward. Goed stolt in arbeid: ijzer sterk en hard.

Uit: “Lot van den Arbeid” Verzameld door J.B.Th. Spaan. Uitg. Em. Querido, Amsterdam

De Mijnwerker (1915) Epos van de Arbeid.

v.l.n.r. dir. staatsmijnen J.C.F. Bunge,monseigneur H.A. Poels, Jan Toorop,Anthony Nolet, Miek Janssen, mijningenieur E. Wintgens en de Hoensbroekse pastoor Jan Röselaers.

Acht jaar na het portret van Ariëns nam Toorop opnieuw het initiatief voor de uitgave van een litho om geld in te zamelen voor een goed doel. Bovenstaand bezoek aan de mijnen te Heerlen en Hoensbroek in 1915 had diepe indruk op Toorop gemaakt. Om het werk van de kapelaan daar te steunen besloot Toorop een litho te laten uitkomen waarvan de opbrengst ten goede zou komen aan de bouw van een kerk. Hij tekende daartoe een van de mijnwerkers aan de arbeid. In een voordracht naar aanleiding van zijn bezoek aan Zuid-Limburg had de kunstenaar zich enthousiast uitgelaten over de “prachtige-Griekschen bouw” van sommige werknemers in de mijnen, maar de oudere man op zijn tekening, met zijn zorgelijke blik en ingevallen gelaat, verbeeldt vooral het zware bestaan van deze beroepsgroep. Enkele maanden later kwam de kleurenlitho uit, met rechtsonder een gedrukte signatuur en het opschrift ‘ Lith. Lankhout, Den Haag. De prent is geproduceerd door de Haagse lithografische inrichting S. Lankhout & Co, die in de jaren negentig van de negentiende eeuw ook een aantal van Toorop’s affiches had gedrukt. Al meteen is de Litho in een oplage van enkele duizenden verschenen. De uiteindelijke oplage bedroeg 6000 exemplaren. Toorop was erg ingenomen met het resultaat: “Ik heb zoo juist de reproductie op ware grootte van Lankhout ontvangen (proef) en die is buitengewoon mooi uitgevallen.” T’is wonderlijk de teekening gelijk’ schreef hij aan zijn vriend Anthony Nolet uit Nijmegen die hem ook vergezelde tijdens zijn bezoek aan de mijnstreek. (zie foto). Bernardus Molkenboer noemde de steendruk in Het Centrum van 4 december 1915 ‘uitnemend geslaagd’ Volgens Molkenboer moet de litho worden gezien als de ‘verheerlijking van het diep-gesmade mijnwerk” en is de prent in al haar lugubere zwartheid tegelijk een kreet om bijstand en een apotheose van de helden deze onderwereld. De litho was onder meer te koop bij de Amsterdamse boek-en kunsthandel C.L. van Langenhuysen, maar de verspreiding verliep ook via andere kanalen. In Nijmegen werd de prent door een enthousiaste groep Toorop-liefhebbers, onder wie Agatha Donkers, huis-aan-huis aan de man gebracht. Kennelijk was dit een succesvolle methode. In een brief van 10 januari 1916 aan de Maastrichtse Jezuïet Oscar Hof meldde Toorop dat de verkoop overal goed loopt en hij vroeg zich af of er in Maastricht niet ook zo’n propagandistisch troepje te vormen is.

(Bovenstaande foto is welwillend beschikbaar gesteld door hr. Royakkers Universiteit van Maastricht)

Een reusachtige crayon van een steenkoolhakkende mijnwerker in flauw verlichte mijnschacht” schreef de Haagse redacteur van het dagblad De Tijd op 30 Juni 1915 naar aanleiding van de expositie van Tooropwerken bij kunsthandel Theo Neuhuys in Den Haag . De Mijnwerker werd daar voor het eerst aan het publiek getoond.
De voorstelling toont een “Limburgse Kompel” een bonkige oude man, mager, maar wel gespierd. In gehurkte houding hakt hij de zwarte steenkool uit het Carboon van de stoffige pijler. De markante en karakteristieke kop straalt ondanks zijn zware beroep wilskracht, vastberadenheid en toewijding uit.

Het houweel symboliseert de strijd en de worsteling om een weg te breken door de harde materie, de mijnlamp het licht, de gedachte en bezinning.

Litho de Mijnwerker 1915.
Toorop’s werken de Mijnwerker en de IJzergieter werden wel eens door elkaar gehaald en ook verkeerde titels aan toe geschreven . Uit: Het Volk 14 september 1935. (IJzergieter dateert uit 1920)

Schets van de IJzergieter 1920

schets en origineel van de Ulftse IJzergieter 1920

LIJNEN , VORMEN EN KLEUREN

Uit: Tijdschrift voor Godsdienst, Wetenschap en Letteren Jrg. 73 -1941 door J.W. Kerssemakers S.J.

Een uitgebreide en uiterst gedetailleerde beschrijving van de IJzergieter die Jan Toorop in 1920 maakte bij de DRU te Ulft, Kerssemakers geeft op treffende wijze de belevenis van Toorop weer.

**********

Schets (croquis) van een ijzergieter, door Jan Toorop.— Dezen keer toon ik u een voorstudie, of liever: de eerste notitie-naar-het-leven, van één van Toorops IJzergieters. Doch deze schets zegt mij honderd maal meer dan de wel fraaie, maar ook zoveel tammere definitieve teekening, zoals zij “officieel” het licht zag. Zeker: tot volle rijpheid in rust is deze eerste worp op het papier aanvankelijk nog niet gekomen. Hoe langer wij de schets echter bezien, des te meer ontdekken wij er de elementen in van levensechtheid en innerlijke kracht. Wel zal de leek op het interessante terrein der krabbels en ontwerpen ze moeten leeren “lezen”. Laat ik dan trachten ze voor u te “spellen” en spoedig zal, zoo hoop ik, blijken, dat het “verwarrende” van deze vlotte notitie, datgene wat haar schoonheid voor het ongeoefend oog verbergt, niets anders is dan juist: haar onmiddelijk contact met het volle nog ongelouterde leven. Beginnen wij met zoo nauwkeurig mogelijk vast te stellen, wat we zien. Een IJzergieter, die den zwaren gietpan tilt. Hiervan zien wij slechts den steel; den bak, die 25 á 30 pond vloeiend ijzer van de gietpan naar den gietvorm brengen kan, zien we niet. Maar wel voelen we in alles, dat het een zware last is dien deze man tilt. Het naakte bovenlijf, het verhitte gezicht, verraden ons den gloed van het werk.–De achtergrond biedt niet een reéele weergave van het milieu waarin het bedrijf wordt uitgeoefend, maar is een symbolisch décor, geheel in Toorop-stijl. Links, achter ’s mans rechterarm, zien we een brugboog die zich weerspiegelt in een water (de drie horizontale lijntjes; dat de verticale lijn van de brugopening in de weerspiegeling gebroken is, schijnt het gevolg van plaatsgebrek; op de teekening is hier meer ruimte gemaakt en loopt de lijn rechtdoor). De zwaardere lijn boven den boog (de lijn die den schouder raakt) is de rand van de borstwering; iets hoger, parallel met genoemde lijn, de aanzet van den anderen brugrand. Direct aansluitend aan deze lijn kan men, met eenige moeite, drie paardenkoppen onderscheiden (op de definitieve teekening zijn het er vier) : de drie koppen der ruiters ziet u terstond. de drie dunnere krabbels, die den voorsten brugrand snijden zijn de beweging der gestrekte in den wind waaiende mantels. Boven de ruiters uit: twee piramiden. het wigvormig stuk op de borst van het eerste paard kan ik niet thuisbrengen. Op de teekening vormt de knie van den eersten ruiter met de borst van zijn paard en den rand van de brug zulk een “wig” — of Toorop hier dus dit motief al door den geest, speelde ? Zeker is deze nog erg onvoldragen. Zonder de hulp van de latere teekening zou men er moeilijk achter komen, wat hier groeiende is. Aan den anderen kant, om den achtergrond meteen maar af te werken, de aanzet van twee vrouwenfiguurtjes, die later biddend-geheven handen zullen krijgen en slanke, in verticaal lijnenspel opgaande gestalten. Wie Toorop kent, kent ook dit soort figuren. Was in den achtergrond nog een zekere onbepaaldheid: in de figuur is alles even raak, behoudens op één punt een nog niet opgeloste dubbele gedachte. om dit beter te zien beginnen we links onderaan. Vier lijnen vormen hier de broekspijp. De meest linkse lijn loopt tot aan de heupen op. Een rand of gordel is op dit punt niet aangegeven (meer rechts wél). Inderdaad enigszins verwarrend is, dat de buitenlijn van de romp hier rechtstreeks overgaat in eenzaat een plooi van de broek schijnt te zijn. Het lijkt mij, at hier twee beenstellingen in het spel zijn: het vijfde lijntje hoort bij den tweeden stand. Deze heeft het op de teekening gewonnen, mét de doorlopende lijn : rompbeenprofiel. De meest-linksche lijn is er weggewerkt (slechts enkele hoekige plooien, zoals men er één, naast de hand, in aanzet ziet, omspelen daar heup en dijbeen), terwijl het vijfde lijntje, tot het kruis doorgetrokken, de broekspijp begrenst, samen met de tweede lijn van links. Duidelijker is daarmee echter de houding van den man op de teekening niet geworden: de draai in den romp is té groot voor dien beenstand. ook spant er in de schets, ondanks dit onopgeloste detail, een veél grootere kracht in den benen. Met een paar krachtige trekken zien we hier heel hun machtig schoren door den strakgelijnden plooival heen. En hoe geweldig rijst daarop die romp. Kras de schaduw in de van inspanning ingetrokken buikholte ; de ribben: twee trekken! de tweetoppige lijn op den linkerschouder is , naar schildersgebruik, de aanwijzing van een licht-en-schaduwgrens; hier: van den schaduwval van het hoofd op den linkerschouder.

Hoe zorgvuldig volgt die lijn elk reliéf van de spieren onder de huid. De linkerarm, die het meest den last torst en in een fel slaglicht is gezien: één wringen en wentelen van spierbundels. Let ook op de prachtige contouren van dezen arm! Den rechterarm, die den steel meer bestuurt, zag Toorop minder fel in licht-schaduw-contrast: uiterst interessant is het echter de omtreklijntjes na te gaan, waarmee hij hier de lichte en donkere partijen aangeeft. De omtrek van dezen bovenarm is knoestig als een lange eikenstam. De pols is geweldig; hij lijkt wat te plat, maar dat komt omdat er nog geen schaduw in den zijkant ligt. de greep van de vingers is kort maar krachtig vastgehouden; en voor het spel van spieren, beentjes en aderenop den rug van den hand was hem een net van ruitjes voldoende! Het hoofd zal menigeen weinig bekoren — en toch is die kop iets prachtigs! Die verbeten mond in de gloeiende wangen, die pluk haar op het bezweete voorhoofd, die ietwat toegeknepen oogen in lichte kassen, met (vooral aan het rechteroog) den schaduwrand van onderen : is dat niet geweldig raak ? De schedel schijnt misvormd, maar het boven platgeplakte haar valt opzij in een gulp uit, vandaar die vorm. Dat de rand van de teekening eng aan het hoofd stoot, geeft aan de figuur nog méér dat accent van samengebalde kracht, als van een elementair natuurgeweld. Bij de definitieve uitvoering heeft vooral die kop veel geleden, omdat hij te “mooi” geworden is. De neus en mond zijn er regelmatig, nobel zelfs; de oogen, met neergeslagen leden, liggen “normaal” in beschaduwde diepte. De romp is geglad tot een mooie “blanke borst”. Alleen in de armen en handen woelt nog de oerkracht na, zoals ze Toorop het eerst trof: toen hij den ijzergieter in de hitte van den arbeid zag; één brok daverend levensgeweld! Daarachter lokt het water met zijn koelte; gehelmde ruiters draven over de brug; eeuwige piramiden teekenen de kimmen—terwijl de huizengevels rijzen als stille bezinning en gebed. De veredelende rust is ten slotte ook over dezen zwoeger gekomen: hij werd een “schoone” ijzergieter. Maar ik acht mij toch gelukkig, hem in zijn eersten staat te hebben ontdekt ……….

J.W. Kerssemakers S.J.

IJZERGIETERIJ DRU +/- 1930

“Indië heeft veel voor mij betekend en kan niet meer uit mij worden weg gedacht,de grondslag van mijn werk is Oostersch” 1925.

Met deze woorden maakte Jan Toorop in 1925 tijdens een interview door Henri Wissing duidelijk dat hij altijd min of meer beïnvloedt werd door de Javaanse cultuur. (Henri Wissing, onder pseudoniem van F.I.R. van Eeckhout, gesprekken met kunstenaars Jan Toorop, 1925-p.14).

Dit kwam dan ook veelal tot uiting in zijn oeuvre ook in zijn latere symbolistische werken. Het schaduwspel van de Wajangpoppen prikkelde zijn fantasie en inspireerde hem tot de bewegende en geometrische lijnen in zijn symbolisme.

Zelfportret van Jan Toorop in zijn atelier ( 1880)
Detail van bovenstaande afbeelding

Dit zelfportret is dan ook bezield met Javaanse cultuur. Textielexperts Madelief Hohé van het Kunstmuseum en Daan van Dartel van het Museum van Wereldculturen keken mee: de uitgebeelde Batik is waarschijnlijk een Sarong en heeft typisch Javaanse puntvorming,Tumpal, schuingerekte vormen als dolken, Parang. De andere motieven op doeken zijn Indonesisch-Chinees van oorsprong. Hij draagt een Celena of slaapbroek, die veel door Indo-Europeanen werden gedragen. Het lijkt of Toorop al die spullen om zich heen wilde absorberen. Java hoort bij hem, hij toont zijn inspiratie met trots. De batik is dan ook prachtig in verf gevangen.

Met dank aan Wieteke van Zeil Kunsthistoricus (Volkskrant)

Litho Jan Toorop javaanse dans Serimpi-danseres 1927
Detail foto Serimpi danseres uit het Serimpiboek 1925
Ulftse IJzergieter uit 1922

Ulftse IJzergieters 1920
Ulftse IJzergieter 1920

Toorop vermengde in zijn symboliek invloeden van het Oosten met die van het Westen. Zo ook in zijn fraaie pastelwerken van de Ulftse IJzergieters. in plaats van een arbeiderskiel en broek beeldde hij ze af half ontbloot en gehuld in een Jarik (Javaanse broek of omslagdoek). Hierop zijn de “Oostersche” invloeden en kenmerken duidelijk zichtbaar, een ornamentaal kleurrijk lijnenspel, ritmisch weergegeven.

Familie Deurvorst poserend voor Villa Zeno omstreeks 1910.

Terwijl de zoontjes van fabrikant Deurvorst voor hun fraaie villa, keurig gekleed in matrozenpakjes, poseerden voor de fotograaf, troffen hun leeftijdgenootjes een heel andere entourage aan. In het poetshok moesten vanaf 12 jaar de z.g. poetsjongens de gegoten stukken ontdoen van allerlei onregelmatigheden zoals aangekoekt vormzand en braam. Met stalen borstels, vijlen en krabbers moesten ze het gietwerk schoonmaken. Dit ging gepaard met een grote hoeveelheid stof en door onvoldoende ventilatie en stofafzuiging zaten ze soms tot de enkels toe in de zwarte stofmassa. Het puntige scherpe anorganische stof veroorzaakte dan ook veel afwijkingen in het slijmvlies van neus, keel en longen dat resulteerde in trachitis,bronchitis met als complicatie longemfyseem en vormde een indirecte oorzaak van longtuberculose. Dit kwam dan ook geregeld in menig Ulfts gezin voor.

Schets door Jan Toorop van een poetsjongen

Onderstaand interview uit 1954 met een oud werknemer van de DRU geeft aan dat het werk als 12 jarige niet geheel zonder gevaar was.

Ook in de gieterij waren de arbeidsomstandigheden slecht. De ijzergieters liepen een groot risico op ernstige brandwonden. Gloeiende ijzerspatten konden tijdens het gieten in de klompen springen en veroorzaakten gevaarlijke 3e gr. brandwonden . Huisarts Ph. Cappetti werd dan ook vaak geraadpleegd om 1e hulp te bieden bij deze ernstige verwondingen.

Ph.P. Cappetti (1890-1955)

Zeeuws meisje leunend tegen een hooiberg 1904

olieverf op linnen 28,6 x 37,8 cm

Een fraai divisionistisch schilderij uit 1904, voorstellende “Girl resting against a haystack” kwam op 19 Februari 2019 onder de hamer bij het gerenomeerde veilinghuis Christie’s in Londen. Het werk maakte voor 1913 onderdeel uit van de collectie behorende aan Frans Deurvorst uit Ulft. Hij bezat destijds 1 van de grootste particuliere verzameling Tooropwerken van ons land. Het neo-impressionistisch uitgevoerd werk met naast elkaar geplaatste zuivere tinten van rood, groen en blauw geeft een prachtig kleurenpallet weer.

Provenance: F. Deurvorst, Ulft. before 1913 Kunsthandel L.J. Kruger, The Hague Anonymus sale, Sotheby’s, Amsterdam, 1 December 1997,nr.514. Acquired at the above sale by the present owner. Sale Christie’s, London, 19 February 2019, nr. 552

Impressionist and Modern Art Day Sale London 28 February 2019.

Price realised GBP 55.000

Briefkaart uit Domburg van Toorop aan Nolet 1912

Toorop raakte gefascineerd door het Zeeuwse landschap met zijn helder licht. Hij vond er inspiratie voor zijn talloze werken en bereikte prachtige lichteffecten. Hij koos vooral Zeeuwse meisjes en vrouwen in hun traditionele klederdracht die allerlei folkloristische handelingen aan het uitvoeren waren. Het hooien, melken, legen van een ton of het vervoeren van eieren in een mandje waren favoriete onderwerpen voor zijn composities.

zeeuwse meisjes te Domburg 1909 olieverf op paneel (26 x 39,5)
Collectie museum Jan Cunen Oss
Zeeuws meisje met mand in boomgaard (olie op paneel 37,4 x 29,5 cm). Particulier bezit

Ulftenaar stond model voor apostel Petrus.

Middelste lancet is de Ulftenaar Engelbart Robben (1834-1917) afgebeeld. Hier te zien op het ontwerpcarton voor het Apostelraam van de st.Josefkerk te Nijmegen.
1912

Engelbart Robben op 78 jarige leeftijd
Voorstudie van het laatste Avondmaal, links naast Christus wederom Engelbart Robben.
De Apostelgroep is nog niet volledig .

Ook hele tere fragiele tekeningen in waterverf kwamen tot stand, helemaal naar de geaardheid van Toorop die al deze facetten in zich droeg.
Het Stedelijk Museum te Amsterdam bezit een hele reeks Apostelfiguren in zwart krijt en houtskool. Hij bereikte hiermee nogal zware maar sprekende karakterkoppen.

Het laatste Avondmaal altaarpaneel st. Franciscushuis te Amsterdam 1914.

Getekend,doorleefd en doorgroefd portret van DRU arbeider 1916.

Lith. exterieur DRU fabrieken met linksonder de neo-eclectische directievilla “Zeno”

Dit ” Vue Generale” sierde decennia lang het briefhoofd van het bedrijf

1916 DRU arbeider door Jan Toorop weergegeven in zwart krijt 40 x 30 cm
Detail
DRU arbeiders poserend voor de Gieterijgebouwen omstreeks 1910

Tijdens zijn logeerpartijen bij de familie Deurvorst vond Jan Toorop gastvrij onderdak in hun prachtige villa. Vanuit hier had hij een goed zicht op de colonnes arbeiders die dagelijks de villa passeerden. Het aantal werknemers bedroeg in die tijd meer dan 400. Naast de opdrachten zag Toorop ook tijd om vrij werk te maken en vond die inspiratie zowel in als buiten de fabriek. Hij raakte gefascineerd door de stoere, markante en diep gegroefde koppen van sommige arbeiders zoals hij ook onder de indruk was van de fysieke uitstraling en gezichtsuitdrukking die bepaalde boeren en vissers bezaten. Het bovenstaand geleefde en verweerde gezicht is dan ook goed weergegeven. Middels dit “en profil” portret laat het al die expressieve facetten zien waaraan het zware leven valt af te lezen. “Jan met de Pet” het prototype van de Arbeider.

Zo zag Toorop deze colonnes arbeiders massaal marcheren tijdens zijn verblijf in 1914 (houtskool met wat krijt)

Ulftsche IJzergieter 100 jaar!

fragment pastel Ulftsche IJzergieter 1922
Gemeente museum Helmond 176cmx125cm
Het aftappen van het vloeibaar ijzer bij de DRU omstreeks 1908 (ingekleurde foto)
“Ulftsche IJzergieter” 1920. (Pastel op papier)

Op 15 Maart 1920 schrijft Jan Toorop aan Anthony Nolet vanuit Den Haag dat hij aan de “Ulftsche IJzergieters” nog niet verder kon werken. Hij was er wel reeds lijnen in aan trekken, maar de achtergrond moest er nog in. De boel moest eerst groot van ritme zijn in aansluiting met de grote bouw van de tors. Hij zou Nolet wel op de hoogte brengen wanneer hij gereed kwam en hijzelf er tevreden over zou zijn. De minste van de twee grote tekeningen zou hij schenken aan de Haagsche Kunstkring die hij vroeger in 1891-’92 had helpen oprichten. Hij geeft aan dat deze krap bij kas zaten en hun daarom een verloting van werken hadden georganiseerd. Ook was er een tentoonstelling van die werken ,door hun aangekocht, voor deze loterij. Natuurlijk voor een schijntje aldus Toorop. De IJzergieter die ik in mijn atelier heb is verreweg de beste en de sterkste van de twee. Van de andere is toch niet veel van te maken, ofschoon die tekening op zichzelf ook mooi is. De afgekeurde IJzergieter wordt uiteindelijk bechikbaar gesteld als 2e prijs voor de verloting in April 1920. Op 22 Juni 1998 wordt hetzelfde werk geveild bij Sotheby’s in Amsterdam met als lot. 452 (Pastel on Paper 111 by 68 cm, DFL 12.000,– __ 15.000,–.)

Jan Toorop in zijn atelier te Den Haag 1920.
De door Toorop afgekeurde IJzergieter.

Kunstwerken met als thema de werkende mens liggen slecht in de markt. Het uitbeelden van de mens aan het werk heeft in de kunst nooit in hoog aanzien gestaan en als het al gebeurde dan was het vanwege de schilderachtigheid van het tafereel of werd de arbeid zelfs verheerlijkt zoals bij deze ijzergieters. De echte arbeid, het harde werken in een fabriek het sloven van arbeiders waren geen onderwerpen en bezaten geen schoonheidswaarde, die bij kunstenaars en hun afnemers erg geliefd waren. Maar weinig schilders raakten geboeid door het esthetische aspect van de arbeid. Toorop’s IJzergieters daarentegen zijn helden en hun arbeid wordt door hem op een sterk geidealiseerde wijze weergegeven. Hij beeldt dit onderwerp uit omdat hij het wel visueel aantrekkelijk vindt. “de felle arbeid van krachtige lichamen, zwoegend met de berusting van eenvoudige mensen, zwaar maar geweldig mooi.”

20 november 1921 “Wanneer kan Charley 1 of 2 dagen in Ulft komen”

Jan Toorop ,Charley Toorop en Annie Toorop-Hall

Jan Toorop schreef zijn vriend tevens mecenas Frans Deurvorst met het verzoek om uit zijn ijzergieterij/emailleerfabriek enige potten,pannen en een keukenfornuis voor Charley te kopen. Dit met “gesloten beurs” en stelt voor deze betaling middels een tekening te willen voldoen. “Oude methode Ruilhandel”.

De Vlerken Bergen NH

Charley had inmiddels een fraai woonhuis ” De Vlerken “(ontwerp P.L. Kramer) in Bergen NH laten bouwen, dat door Jan Toorop grotendeels gefinancierd is. Welk werk wat hiervoor door Toorop is gemaakt valt moeilijk te achterhalen gezien de omvangrijke Tooropcollectie van Deurvorst. Dochter Charley was wel vertegenwoordigd in deze collectie en wel met een mooi stilleven. Olie op doek met als titel “Stilleven met een aarden kruik” uit 1914.

HER: Kunsthandel Van Lier,Veere; A. Lehning, Amsterdam; F. Deurvorst,Terborg; Kunsthandel M.L. de Boer Amsterdam. In Juni 1964 is het verworven met steun van de Vereniging Rembrandt en van Mr. Hannema-De Stuers stichting het maakt nu deel uit van het Museum de Fundatie in Zwolle.

Op een tafel met blauw kleed een grote bruine aarden kruik met rossige gladiolen.Op een groen bordje een gele citroen.Rechts op de voorgrond grote rode appels. De felle kleuren tonen duidelijk aan dat het expressionisme, waarvoor Vincent van Gogh in zijn laat-Franse periode de basis legde, haar niet onberoerd heeft gelaten. De vormgeving heeft nog iets van het Kubisme zoals dat o.a. naar voren komt in een stilleven van rozen door Auguste Herbin, thans in Otterlo. In de forsheid van het werk (77 x 76 cm) is zij waarschijnlijk beinvloed door het werk van de Russische schilder Kontchalowski dat Charley in 1913 op de tentoonstelling van de Moderne Kunstkring in het Stedelijk Museum te Amsterdam heeft kunnen zien. Sommige kleuren vooral in de contrasten van geel op groen wijzen erop dat zij het werk van Kees van Dongen gekend heeft. Er zit in dit doek een bewogenheid welke een contrast vormt met haar later meer neo-realistisch werk, waarvan de uitbeelding wel eens te nadrukkelijk wordt.


Na het overlijden van directeur Frans Deurvorst kwam het in bezit van zijn zoon Frank en prijkte het tussen zijn schilderijencollectie in zijn landhuis op de Paasberg in Terborg.

Deurvorst Dynastie omstreeks 1928

Frank Deurvorst (1900-1976) was sedert 1930 hoofd van het chemisch laboratorium bij de DRU in Ulft en belast met de kwaliteitscontrole van de geemailleerde producten. Hij volgde professor Kley uit Delft op. De pas afgestudeerde Ir. Deurvorst moest echter nog ruim een half jaar specialistische studies volgen aan de universiteit van Karlsruhe. Hij heeft door zijn deskundigheid een grote bijdrage geleverd aan de wereldvermaarde geëmailleerde producten van de DRU. In 1965 bij zijn pensionering deed toenmalig directeur Daamen dan ook een markante uitspraak ” als mijnheer Deurvorst zijn bruine jasje aan heeft daalt het FOX percentage” (FOX = 2e keus)

Ir. Frank Deurvorst 1965

Foto’s van het stilleven zijn welwillend beschikbaar gesteld door (www.agreylady.nl).