Jan Toorop versus Herman Heijenbrock

 

 

 

 

image image

Frans Deurvorst (1914)   door Toorop          DRU IJzergieters (1920)  door  Heijenbrock

 

Heijenbrock werd ook wel de schilder van de arbeid/industrie genoemd, hij maakte evenals Toorop op de DRU te Ulft diverse  pastels en een enkel olieverfschilderij. Hoewel beide sociaal bewogen, stond bij Toorop toch meer de arbeider op de voorgrond en minder de techniek en de industriële processen. Zowel Toorop als Heijenbrock bezochten de Borinage het land van <<Germinal>> de naam van een roman van Emile Zola. De schrijnende ellende en de onderdrukking van de arbeider maakte grote indruk en leverde een grote inspiratiebron voor hun werken. Toorop was toch ook een decadente schilder en schuwde de society niet,getuige zijn talloze portretten. In Heijenbrock’s oeuvre is dan ook zover ik weet geen enkel directieportret te traceren. In dat perspectief zwierf Heyenbrock meer door de fabrieken, kameraad met de werkers, informerend naar het hoe en waarom, om des te meer bewondering hun durf en uithoudingsvermogen, hun vaardigheid en inzicht in het arbeidsproces uit te beelden. Hij vond zijn domein vooral  dan ook aan de vurige gloeiende ovens, bij het nachtelijk ballet van vloeibaar en gevaarlijk rondspattend ijzer.Hij zag de arbeiders als volgelingen van Prometheus, in hun titanenstrijd de ” Knights of Labor”.

imageimage

Ulftse IJzergieters : links werk van Toorop, rechts Heijenbrock uit resp. 1922 en 1923

Frans Deurvorst 1857-1931

imageimage

 

Frans Deurvorst groeide op in het gebied rond de Oude IJssel waar zich sinds  het einde van de zeventiende eeuw een bijzondere lokale nijverheid heeft ontwikkeld. Zowel aan de huidige Duitse zijde van  de rivier als op Nederlands grondgebied maken diverse hoogovens uit het regionaal aanwezige oer, een ijzerhoudende aarde, een smeltbaar ijzer. Dit doen zij met behulp van de aanwezige waterkracht en met houtskool afkomstig van nabije akkerranden en bossen. Het gesmolten ijzer wordt direct in vormen gegoten. De hoogovens staan in Nederland te Rekhem (1689-1810), Laag-Keppel (1794-1983), Ulft (1754-1973) en Terborg/Gaanderen Vulcaansoord, (1821-1977).                                                                                                                 De oprichting en financiering  van deze bedrijven zijn, Mede omdat zij de belangrijkste grondstofstromen controleren, in handen van adelijke grootgrondbezitters terwijl het beheer wordt overgelaten aan een beperkte groep particuliere burgerfamilies. Deze families zijn vaak met elkaar verwant en meerdere generaties achtereen in de ijzernijverheid actief. Dit geldt ook voor de familie van Frans, van moederzijde wel te verstaan. Frans’ moeder Lidwina Reigers is een van de elf kinderen van Aloys Reigers (1790-1845) directeur van de ijzergieterij onder de firma Diepenbrock & Reigers (DRU) te Ulft en Johanna Diepenbrock (1796-1871). De DRU staat al sinds 1774 onder exploitatie van de families Diepenbrock en Reigers. Frans kiest voor een carrière in het gieterijwezen. Hij treedt zodoende in de voetsporen van de familie Reigers en dus niet in die van de familie Deurvorst, die tot de regionale elite mag worden gerekend. Zo is overgrootvader J.H. Deurvorst (1749-1833) onder meer wethouder in Terborg en in 1795 afgevaardigde in de Statenvergadering van het kwartier Zutphen. Frans’ vader Wilhelmus Hermanus Deurvorst behoort tot de derde generatie die sinds 1750 een wijnhandel bedrijft. Voordat Frans Deurvorst gaat werken volgt hij een klassiek opleidingstraject voor zonen uit gegoede katholieke families, met kostscholen te Rolduc en Katwijk. Vervolgens voltooit hij zijn opleiding te Frankfurt, wellicht aan de Stadelschule met naast kunstopleidingen ook onderwijs in tekenen en architectuur.

Als Frans in 1874 bij de DRU begint, heeft het bedrijf, zoals de meeste hoogovens, een belangrijke gedaanteverwisseling achter de rug. Onder leiding van zijn oom Bernard Reigers, die sinds 1860 met zijn jongere broer Anton de directie voert, voltrekt zich de omschakeling van een traditioneel hoogovenbedrijf naar een moderne gieterij. Reigers constateert dat de markt voor gietwerk sterk toeneemt. Gietwerk is vooral populair als bouw-en constructiemateriaal en dient daarnaast voor allerlei uiteenlopende toepassingen, zoals voor siervoorwerpen. Na het overlijden van zijn oom in 1895 krijgt Frans Deurvorst die in 1894 in het huwelijk was getreden de algemene leiding. In 1896 gaat hij met zijn gezin in de naast de fabriek gebouwde Villa Zeno wonen. Mede door toedoen van zijn zwager Antony Nolet is Jan Toorop vanaf 1908 een graag geziene gast bij de familie Deurvorst die uiteindelijk tot een hechte vriendschap leidde tot aan zijn dood. Willy Sluiter behoorde ook tot de kunstenaars van de familie. Frans’ achterneef de componist Alphons Diepenbrock maakte ook deel uit van de muze in Villa Zeno. De wijn van Nolet uit Nijmegen en de drank van Deurvorst uit Terborg aangevuld met de sigaren van Mignot uit Eindhoven completeerden het geheel.

imagefullsizeoutput_2948

In 1927 neemt Frans Deurvorst afscheid als directeur en vestigde zich aan het Josef Israelplein in Den Haag waar hij tot zijn dood in 1931 blijft wonen.

image

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Willy Sluiter “hofschilder” bij de familie Deurvorst.

image

Jan Toorop had wat betreft de artistieke kwaliteiten van collega-schilders t.o.v. opdrachtgevers  een hoge gunfactor en was altijd zeer benieuwd naar het resultaat. Zoals bekend introduceerde hij omstreeks 1914, mede op advies van Anthony Nolet, Willy Sluiter bij de familie Deurvorst. Evenals Toorop experimenteerde hij ook met emaillewerken. Enkele fraaie pastels en houtskool tekeningen van de ijzergieters wist ook hij op treffende wijze vast te leggen. Een uitgebreide correspondentie met Nolet en Sluiter bevindt zich bij het RKD te Den Haag. Drie generaties Deurvorst geven een mooi beeld van de Deurvorstdynastie en hun contacten met Willy Sluiter.

imageimage

 

Vader enigszins karikaturaal weergegeven en zoon Zeno Deurvorst, deze laatste afgebeeld als luitenant regiment Grenadiers in 1919.

imageimage

Dochtertje van Zeno , Marieke Deurvorst. Zelfs de trouwe viervoeter van de familie werd door Sluiter in pastel vereeuwigd.

“Dit is geweest voor al dat werken een Havana prijs” Ede, 31 Juli 1918

fullsizeoutput_235dfullsizeoutput_2355fullsizeoutput_2353

Vanuit Ede (hij logeerde bij  Arthur van Schendel) schreef Toorop aan Nolet zijn onvrede over de slechte betaling van zijn opdrachtgeefster mw. P. de Bruijn-van Lede uit Oosterbeek voor zijn voltooide 14 Kruiswegstaties, voorstellende het lijden,sterven en verrijzen van de Heer. Hij schrijft onder meer dat ze nog niet eens afbetaald zijn en nog altijd FL. 3000,– moet krijgen. FL 500,– voor ieder paneel. “Ce sont des Richards. Zeg er maar niets van voor de praatjes.” !!!

fullsizeoutput_2431

Boven staand rechts mw. P. de Bruijn-Van Lede

29 september 1918 is er wederom een briefwisseling met Toon Nolet, Toorop heeft inmiddels Nijmegen als woonplaats verlaten en vestigde zich nu aan de van Merlenstraat 124 in Den Haag. Hij schrijft dat hij graag wilde dat al zijn Kruiswegstaties in Den Haag stonden en vermeld de staties waarmee hij in Ulft was mee begonnen wel in zijn bezit had en hoopte er weer “ferm” aan te arbeiden. Vond het alleen vervelend dat hij aan de van Merlenstraat nog geen elektrisch licht had!! Tevens nodigde hij Frans Deurvorst en Jacqueline uit om te komen dineren voor zijn 60ste verjaardag in de kunsthallen van Kleijkamp in Den Haag.

fullsizeoutput_2433

 

 

fullsizeoutput_2363

Viering 60ste verjaardag van Jan Toorop in de kunsthal Kleykamp te Den Haag tussen de genodigden en zijn kruiswegstaties.

Mw. de Bruijn schonk de 14 kruiswegstaties in 1919 aan de sint Bernulphusparochie in Oosterbeek. Deze werden in 1998 gerestaureerd door een restauratie-atelier in Maastricht met een subsidie van 23.921,- gulden van de Mondriaanstichting , het Anjerfonds Gelderland droeg 5000 gulden bij. Het bedrag dat nog ontbrak werd aangevuld door familie van mw. de Bruijn. Op de werken waren nl. schimmelplekjes ontstaan die werden verwijderd. De tekeningen werden hersteld met dezelfde materialen die Toorop destijds gebruikte. Verder werden ze geconserveerd en de achterkant beter geïsoleerd.

 

fullsizeoutput_2435

“Aan den Einder” 20 Februari 1917

imageimageimageimageimageimage

 

Toorop schreef Nolet vanuit Domburg  bovenstaande briefkaart met het verzoek om al die kleine tekeningen afgebeeld in Miek Janssen gedichtenbundel  “Aan den Einder” naar Jacqueline Deurvorst-Vonk de Both in Ulft te zenden. Of het een aankoop van Jacqueline  betrof of dat er door fotograaf Bruins uit Terborg cliches van moesten worden  gemaakt is niet met zekerheid te zeggen. Toorop  had er wel haast mee, ze moesten  direct door J. Martens (kunsthandel) aan de Ziekerstraat uit Nijmegen naar Ulft worden verstuurd.

fullsizeoutput_22ceimage

Van het afgebeelde vignet (2 knielende Nonnen) maakte Toorop op de Emailleerafdeling van de DRU ook een fraai gestileerd emaillewerk, een fascinerend geometrisch lijnenspel met kenmerken van de Jugendstil en Art Nouveau.

 

imageimage

 

1927 Frans Deurvorst 70 jaar.

imageimage

In 1927 ging Frans Deurvorst directeur van de D.R.U in Ulft met pensioen, hij verliet Villa Zeno in Ulft en vestigde zich  met zijn vrouw in Den Haag. Tot zijn overlijden in 1931 was hij nog wel verbonden als commissaris van de vennootschap bij de D.R.U. Jan Toorop maakte een fraaie portret tekening en profil van zijn vriend tevens mecenas. De markant doorgroefde  kop straalt op karakteristieke wijze ,wel vriendelijk ,maar toch ook gezag uit. De eveneens fraaie koperen plaquette als cadeau van zijn werknemers bij zijn afscheid beeldt op treffende wijze de welvaart, arbeid en voorspoed uit. De imposante fabrieksgebouwen met zijn schoorstenen, geflankeerd door de Oude IJssel ,vormen een idyllisch landschap een stereotype vorm van visualisatie van de industrie.

image

Amsterdamse School ontwerp voor D.R.U 1919

jan-tooropimageimageimage

 

Michel de Klerk ( 1884-1923) maakte in 1919 een ontwerp voor een frontstuk van een hangbrievenbus. De PTT was bezig met een organisatorisch maar vooral een artistiek vernieuwingsproces. Een belangrijke rol hierin werd vervuld door mr. Jean Fr. van Royen (1878-1942), hij was artistiek nogal bevlogen en dit resulteerde in de oprichting van de Dienst voor Esthetische  Vormgeving binnen de PTT. Deze dienst stimuleerde het Rijk om eigentijdse modern-ambachtelijke kunstenaars aan te trekken  voor het ontwerpen en soms ook uitvoeren, van drukwerk, interieurs, decoraties en “straatmeubilair”. Binnen het Staatsbedrijf kon hierbij dan worden gedacht aan brievenbussen, uithangborden en later telefooncellen. Met de vormgeving van met name de borden en brievenbussen zou van Royen als Algemeen-Secretaris, later plv. Directeur-Generaal zich intensief gaan bezig houden.

imageimage

Michel de Klerk werd gevraagd een ontwerp te maken voor een frontstuk van een hangbrievenbus. Door tussenkomst van Jan Toorop die hem adviseerde een proefmodel te laten maken bij de IJzergieterij D.R.U. te Ulft. Deze Fa. leverde al decennia lang de bekende gietijzeren staande en hangbrievenbussen voor de PTT. Het ontwerp,(zie bovenstaande afb.) was bijzonder fraai, expressief vormgegeven in plastische vorm met  decoratieve details en vertoonde duidelijk kenmerken van de Amsterdamse School. Van Royen  deelde de Klerk echter in een schrijven van 25 juni 1920 mede dat aan het ontwerp teveel praktische bezwaren verbonden waren en kon niet besluiten tot de aanmaak over te gaan het  kwam jammer genoeg niet in productie.Het gietijzeren proefmodel bevindt zich in het huidige Museum voor Communicatie COMM te Den Haag. (vroegere PTT museum)

Een fraai portret maakte de Klerk van zijn (kunst)vriend in 1918 ter ere van zijn 60e verjaardag.

Ulft, 29 januari 1920. Ben hier bezig aan een emaille plaat te bewerken……

imageimage

Tussen 1912 en 1927 onderhielden het Nijmeegse echtpaar Donkers- de Vries evenals Deurvorst uit Ulft nauwe contacten met het echtpaar Toorop-Hall. Bovenstaand fraaie portret, zwart en gekleurd krijt (295 x 225mm) van Agatha Donkers-de Vries voltooide hij in 1913. Er is een uitgebreide correspondentie bewaard gebleven tussen beide echtparen, deze is van belang omdat zij de kennis over Toorop’s werk aanvult en enige duidelijkheid geeft over de wijze waarop de collectie tekeningen en aquarellen van de kunstenaar tot stand kwam. Zo ook welk werk dat Toorop, als toegepaste kunst, maakte waaronder zijn emaillewerken op plaatijzer die in de Emailleerfabriek van de DRU te Ulft geproduceerd werden. (Zie bovenstaande brief).

Frans Deurvorst 005       image

Frans Deurvorst

emaillebord Jan Toorop

Anthony Nolet

 

imageimage

Emailleerderij (emaillebranderij ovens) DRU in Ulft ten tijde van Toorop’s gemaakte emaillewerken.

Voor Henk Donkers ontwierp hij in 1922 een stijlvol ex Libris , Donkers was lange tijd werkzaam als conservator van de bibliotheek van de Nijmeegse Universiteit.

image

 

Tooropwerk van afgebeelde Ulftenaar te zien in Laliquemuseum te Doesburg.

image    image                                                      Potlood,krijt en waterverf  300 x 210 mm .collectie:Studio 2000 Blaricum

In het Lalique museum te Doesburg is momenteel een expositie te zien waaronder ook enkele Tooropwerken. Bijzonder is bovenstaand ontwerp/studie voor het grote gebrandschilderde raam van de st. Josefkerk  in Nijmegen.   (de huidige Titus Brandsma gedachteniskerk)  Op het middelste lancet is de Ulftenaar Engelbart Robben afgebeeld als de apostel Petrus.

image  image                                                    Het is een indrukwekkende  en markante afbeelding met veel gelijkenis. Hij oogt met zijn doorgroefde kop en prachtige baard als een aartsvaderlijke patriarch. Het stelt apostel Petrus voor met de hemelsleutel in de hand. Engelbart Robben (02-10-1834 – 16-12-1917) werkte jarenlang in de machinekamer van de DRU. Hij is in 1912 gemodelleerd door Toorop in Villa Zeno de directeursvilla nabij het fabrieksterrein in Ulft. In datzelfde jaar sloot Toorop een contract met het glasschilderatelier van Wilhelm Derix te  Kevelaar. Het werk schoot maar langzaam  op en het glas in loodraam werd pas Augustus 1915 in het oosttransept van de kerk geplaatst.

image

image

Pater Bonneke van de Josefkerk uitte zijn ontevredenheid mede namens de parochianen over de vertraging in de uitvoering. Het overigens slecht betaalde raam werd zeer kritisch ontvangen, zozeer zelfs dat in 1916 de opdracht voor het westelijk transeptraam , het jezuitenraam, naar Toorop’s glazenier Derix ging die drie jaar met hem had samengewerkt aan het apostel raam. Op 10 Januari 1916 schreef Toorop aan pater Huf : ” Zeer tot  mijn spijt  hebben zij (rector van de st. Ignatiuskerk) de overzijde mijner en ramen transept overkant nu aan mijn glasbrander opgedragen. Men zegt dan, dat mijn glasbrander nu, die sedert Jaren met mij gewerkt heeft, ook evenals ik zulke koppen en lijnen , enz. enz. kan maken en nu dus hem maar ‘t verdere besteld. Gij ziet dus na zoo enorm veel arbeid en dan nog voor zoo,zoo, weinig geld  een ander gegeven. Maar ik heb er toch genoegen van om de ramen op die wijze, liturgisch en alles harmonisch zuiver in aansluiting met de omringende architectuur te hebben gemaakt. Daar moet maar eens een einde aan komen aan al dat ramengeknoei, die onze mooie kerkgebouwen bederven. (Uit P.J. Begheijn Toorop’s Apostelraam in de st. Josefkerk, Numaga 31 (1984) 47-48.)

image

 

 

 

 

 

Ulftse IJzergieter siert kalender uit 1941, boegbeeld voor de N.S.D.A.P.?

imageimageimageimage                                                                       Tijdens zijn werkzaam leven van Toorop en na zijn dood werden er van zijn werken talloze reproducties gemaakt. De veelheid en de diversiteit van het grafisch oeuvre en deze reproducties leiden nog wel eens tot verwarring over de authenticiteit. De materie is complex en sommige reproducties zijn zo goed, dat zelfs kenners struikelen. Toorop was een kunstenaar van de lijn wat zijn kunst uitermate geschikt maakte voor reproductie. Het zijn dan ook vooral zijn potlood-en krijttekeningen die werden gereproduceerd. Omdat hij in een lineair medium werkte en veelal in zwart-wit, ging er bij reproducties maar weinig van het orgineel verloren. Voor een klein bedrag kon een liefhebber een plaat kopen die bijna een facsimile van het oorspronkelijke werk was. De reproducties werden door een breed publiek afgenomen. Dat de brochure met Toorop reproducties  van de Amsterdamse uitgever Felix P. Abrahamson in vier talen is opgesteld suggereert dan ook een internationale belangstelling. In publicaties als de Katholieke Illustratie werden de lezers aangespoord reproducties te kopen : “Laat ons onszelf wat inleven in Toorop’s werk, zie enkele mooie platen van hem in uw bezit te krijgen (reproducties natuurlijk) en schaf u ‘t mooie boekje eens aan “Jan Toorop” door Julius de Boer, met veertig zeer mooie reproducties en ge zult liefde voor ‘t werk krijgen”. uit Kath. Illustr. 14-03-1928.