“Ariëns, is niet mooi maar zo lelijk als Toorop hem gemaakt heeft is hij ook niet”

Alphons Ariens door Jan Toorop 1907 (zwart krijt op papier) 29 x 28 cm. Rijksmuseum Amsterdam
Voorstudies portret Alphons Ariëns

Jan Toorop maakte het portret toen Ariëns (47 jaar oud) en pastoor in het Gelderse Steenderen was.

Toorop trok dus op een goede morgen naar de pastorie in Steenderen. Zijn sociaal gevoel was verwant aan Ariëns apostolische geest, maar hij had Ariëns nog nooit van zijn leven gezien of zelfs van gehoord. Hij kon hem aanvankelijk niet te pakken krijgen, Ariens voelde eerst niets voor om te poseren voor zijn portret, “Ze hangen je op en stoffen je af” ! Uiteindelijk stemde hij toch toe en toen hij zijn brevier zat te bidden maakte Toorop een vluchtige krabbel toen hij met zijn hoofd omlaag zat en stil aan het schrijven was legde hij in enkele karakteristieke rake strepen (zie bovenstaande voorstudies) zijn beeltenis vast. Als gewoonlijk plantte hij op het midden van zijn papier een oog, één enkel oog, wat kenmerkend is voor zijn psychologische wijze van portretteren. Hierna omgaf hij beide ogen met rimpels die de concentratie van de scherpe blik verhoogde en bouwde nu de kop van beneden naar boven hoe langer hoe verder omhoog tot zijn schedel bijna de rand van het papier raakte. Hij plaatste zijn handtekening en hiernaast ook de opdracht ” Voor het Ariënsfonds”. De scheve stand van het hoofd, de strakke ogen en de spitse oren hadden veel weg van een karikatuur. Het viel dan ook niet in smaak bij het Ariënsfonds die er meer een Mefisto in zagen dan een priester. Het werk werd niet verkocht al was de opbrengst voor het fonds bestemd. De ontelbare bijna volmaakte reproducties hadden aanvankelijk ook geen aftrek als “Devotieprenten”. Het orginele werk werd pas later aan een grote tabakshandelaar in Zürich verkocht en hierna kwam het in bezit van een niet-katholieke arts in Nederland.

Uit de Beiaard/ de Maasbode 25-03-1938 door Prof. Gerard Brom

Alphons Ariens (1860–1928)

Een bijdrage over de sociale wantoestanden in Ulft geeft onderstaande relaas goed weer, ook de weerstand die Ariëns ondervond om een katholieke werkliedenveniging op te richten kwam maar moeilijk van de grond.

Het was in het voorjaar van 1904. Ik vroeg aan dr. Ariëns zou er geen kans op zijn , dat we in den (Gelderschen) Achterhoek een propaganda-comité oprichtten, dat een band vormt tusschen de hier bestaande Kruisverbonden en nieuwe tracht op te richten? De grote dag kwam. Op ’t stationsplein te Terborg waren honderden Kruisverbonders met vaandels en banieren samengestroomd om openlijk getuigenis af te leggen van wat zij wilden. Nu ging het welgemoed naar Ulft waar wij door de Maria-vereniging werden afgehaald en waar pater van Aken uit Heeswijk op de hem eigen keurige wijze de propaganda-rede uitsprak. Wederom was ’t openingswoord aan dr. Ariëns die allen opriep ten strijde tegen den modernen vijand van Christendom en huisgezin. Wat was er gebeurd? Precies als overal nadat wij er geweest waren en een vereniging hadden opgericht met den welbekenden geestelijke adviseur uit de Katholieke Werkman kwam Ulft in rep en roer. Wij maakten de arbeiders op hol! Wij, zoo predikte de pastoor van den kansel, vielen mannen aan die “Roemswaardig” waren. Welke roemswaardige mannen hadden wij dan genoemd? De fabrikanten Becking & Bongers en Diepenbrock en Reijgers. Deze fabrikanten die den moed hebben de arbeiders met Fl 6,– à Fl 7,– naar huis te sturen wanneer zij een bovenmatig lange week achter zich hebben, zodat het gemiddelde loon per uur niet boven de 8 à 9 ct. komt. Die fabrikanten, die dulden dat bazen waar een een luchtje aan zit, boeten opleggen van kwartjes en guldens, zodat het meermalen voorkomt dat ze met Fl 2,– en Fl 3,– huiswaarts gaan, zelfs minder nog!! Wie nog meer als roemswaardig aan te duiden zijn? De onderwijzer, die van de armzalige dubbeltjes der arbeiders een goede klant is van alle kasteleins, de onderwijzer die na de jeugd te hebben geleerd op school ,zijn diensten aanbiedt op ’t kantoor van een der bovengenoemde firma’s en daar helpt aan te duiden hoe men de arbeiders moet uit betalen enz. Nog meer roemswaardige mannen? Zeker laten we er nog een paar noemen. Een der bazen is kerkmeester en lid van den raad en beweert dat Fl 5,– genoeg is om van te leven omdat zijn directeur dat ook zegt. Een andere baas welke een brave vechtersbaas genoemd wordt, blijft steeds gehandhaafd. Omdat wij bovenstaande in het st. Josephgebouw te Ulft hadden aangehaald daarom was Ulft in rep en roer. Toen we vertrokken waren ging die onderwijzer huisbezoek afleggen om tegen ons te waarschuwen, maar op de vergaderingen debatteren deed en durfde hij niet. Een hoofdacte kon hij niet bemachtigen en wat hij op die manier niet kan krijgen zoekt hij langs een andere kant en met een ijver, een betere zaak waardig. De heren kregen ’t benauwd, zo benauwd zelfs dat ze op ’n sukkeldrafje naar de marechaussee’s liepen om te vragen of diegene welke een strooibriefje in de fabriek had gebracht ook strafbaar was voor de wet. Ook werd er een overeenkomst onder de patroons van de Ulftse ijzergieterijen afgesloten, geen arbeiders van elkaar over te nemen. Hierdoor bereikten zij dat de arbeiders wel gedwongen waren op éen en dezelfde fabriek te blijven werken. Dit gaat des te gemakkelijker omdat deze werklieden hun eigen levensbehoeften verbouwen om zodoende te kunnen bestaan. Met Duits geld uit betalen, daar weten de heren ook nog wel woekerwinst te behalen. Toch was dit niet genoeg en voerden ze een 10 % loonsverlaging in. Dit werd echter teruggedraaid daar zij bang waren voor een staking! Echter enigen der oproerigste werklieden moesten eruit. In 9 dagen tijd maar liefts 14 man. Of de patroons weten dat de werklui worden doodgemarteld blijkt uit een gezegde van een der heren. Een werkman die hem vroeg om werk, kreeg ten antwoord ( deze werkman wilde van de ene naar de andere fabriek) Zij hebben daar het Vleesch gehad, laten ze jou botten (beenderen) ook maar houden !! Een der bazen liet de werklieden een voor een bij zich komen om ze uit te horen en te dreigen met ontslag. Het was zelfs zo sterk dat toen wij hadden geprotesteerd, dat het een schande was om een vormer, bekwaam voor zijn werk met Fl 2,73 naar huis te laten gaan, ook deze man werd gezegd dat hij zulks niet mocht vertellen, want als mijnheer het hoorde ging hij “er uit”. Een paar werklieden hadden niet het geld voor hun werk wat hun beloofd was ontvangen. Op hun vragen waarom niet was ’t antwoord van de baas, omdat je onder de bond bent!! Die bond zat hun dwars in de maag. Een der bazen beweerde dat wij de centen verzopen van de arbeiders en de patroon noemde ons straatvegers. De onderwijzer zei tegen de werklui, heb geduld de zaak komt terecht als jullie maar uit de bond gaan. Deze onderwijzer maakte ook een verslag van de vergaderingen gehouden in ’t st. Josephgebouw, na een rede van dr. Ariëns en Kamp uit Hengelo, propagandist voor de katholieken aldaar. De eerste met het onderwerp “Drankbestrijding” , de laatste met “het nut van organisatie”, maar dan op christelijke grondslag. Het verslag luidde aan ’t slot aldus:

“iedereen die weet dat het jeneverbruik in Ulft verbazend groot is en die niet onkundig is gebleven van de Socialistische stokerij der laatsten dagen, ook in onze plaats, zal moeten erkennen dat onderwerpen van belang zijn besproken. Moge de nawerking dezer redevoeringen het bewijs zijn voor het zo dikwijls uitgesproken woord: “de arbeider van Ulft is nog niet bedorven”. Een der Ulftsche heren werkgevers liep met een vischstaak (uitdrukking voor een vishengel) over de schouder door het dorp en zei; Laat ze maar staken, ik staak ook, doelend op zijn Vischstaak!

dr. Ariëns had gesproken en wij ook, dr. Ariëns keerde per rijtuig terug naar Terborg om vandaar verder te reizen per trein.

Onze opgerichte vereniging is heel spoedig van het toneel verdwenen en een nieuwe onderafdeling van de Volksbond is verrezen met prachtexemplaren van bazen als boven aangehaald als bestuursleden.

G. Elferink, Voorzitter van de metaalbewerkersbond

Als eerbetoon aan deze strijder voor sociale rechtvaardigheid is in Ulft een straat naar hem genoemd.

Uit: De Metaalbewerker No. 20 – 26 September 1903

Zelfs kinderarbeid zoals hier in het poetshok bij de DRU werd niet geschuwd. (1904)

Ulft Villa Zeno -Jacquelin Deurvorst-Vonk de Both 1912.

Villa Zeno 1896
Houtskool met crayon 26,5 x 20,5 cm

Jacquelin Deurvorst Vonk de Both (1874-1958)

Jacqueline Deurvorst- Vonk de Both (geannoteerd Ulft 1914 J.Th. Toorop)

Jan Toorop maakte van Jaqueline Deurvorst diverse portretten hij gebruikte veelal als medium potlood, houtskool en pastel. Hij portretteerde haar in de serre van villa Zeno zittende op de stoel zowel van de voor-en achterzijde . Bloemen omlijsten de halffiguur, Dankzij de toepassing van het ingevallen licht wist hij op treffende wijze een harmonieuze en een bijna serene atmosfeer te bewerkstelligen. Toorop zal ongetwijfeld onder de indruk zijn geweest van de 16 jaar jongere Jacquelin.

Detail uit het dubbelportret met Marcel Deurvorst (1910) crayon.

Het einde van de oorlog maakte het weer mogelijk te reizen, maar niet de centra van moderne kunst lokten Toorop, hij wilde naar Lourdes voor genezing van zijn been. Begeleid door Miek Janssen en Arthur van Schendel maakt hij in 1919 de lange reis; maar zonder baat. Wel leerde hij gaandeweg berusten in de voortsluipende verlamming van zijn linkerbeen, met veel pijn en ongemak. Van grote reizen kon na 1920 geen sprake meer zijn, wel van korte, naar Ulft of Domburg. Hij maakte nu meer gebruik van een driewielig invalidenwagentje met handstangen, waarmee hij voortbewoog.”Vandaag deed mijn linkerpoot ontzettend veel pijn, lezen we in een brief aan Mies Elout-Drabbe. “De zenuwen erg geprikkeld weet je, als ik loop, van onder mijn linkervoet, hiel, kuit tot boven de knie. Net of ik allemaal speldenprikken van een nijdas krijg. Maar ’t is allemaal niet erg, als ik maar lekker werken kan”.

Jan Toorop in invalidenwagentje ziet zijn verleden in drie Zeeuwse meisjes en zichzelf in een raam 1921 (Coll. Rijksmuseum Amsterdam)

“Je moet uit de druk komen……”

Dit schreef Jan Toorop op 1 maart 1923 aan zijn vriend Anthony Nolet uit Nijmegen. Deze laatste was in grote financiële moeilijkheden verzeild geraakt. Toorop had hem aanvankelijk toegezegd financiëel te zullen helpen. Hij overwoog zijn groot werk “de Pelgrim” uit 1921 te verkopen voor fl. 4000,- . Deze “reuzen” tekening stelt een man voor op zijn levensweg omringd door de wereldse verlokkingen en hemelse beloften. Hij kon echter geen geschikte koper vinden voor dit bedrag, ook het voorstel om een lening te krijgen met als onderpand zijn huis aan de van Merlenstraat 124 in Den Haag dat op naam van zijn vrouw Annie Hall stond ging niet door in verband met een Engelse akte. De rechtsgeldigheid hiervan werd door de notaris afgewezen.Verder schreef hij dat zijn dochter Charley (inmiddels gescheiden van John Fernhout) met haar kinderen en de belastingdienst hem ook te veel kostte en hij Nolet op dit ogenblik niet kon helpen.

De Pelgrim 1921 coll. Catharijneconvent Utrecht


Zelf noemde Jan Toorop het een van zijn belangrijkste scheppingen, een creatie waaraan hij met hemels plezier gewerkt had en met een “perfectionering” van zijn totale oeuvre. Monumentaal zowel in zeggingskracht en symboliek als in afmetingen. De in houtskool op papier gezette tekening meet inclusief de omlijsting – 1.80 bij 1.86 meter. Toorop tekende De Pelgrim zeven jaar voor zijn dood. Veel van de symboliek in het werk illustreert de twijfel en de worsteling die hij -de Pelgrim- heeft doorstaan op zijn levenspad, op weg naar zijn bekering in 1905 tot het katholicisme. De lamp aan de staf symboliseert de brandende liefde van Jesus, de staf zelf is de stut en tevens het afweermiddel en hulp bij het beklimmen van de helling . Op de rug de lier als symbool voor levensvreugd. De Heilige Moeder Maagd met haar goddelijk kind omgeven door harpspelende engelen verwelkomen de Pelgrim met uitgestrekte armen waar hij moegestreden de lauwerkrans van de overwinning krijgt. Verdere details o.a. De Madonna met kind, koning met koningin en de arbeider en de philosoof. Het werk werd in mei 1921 gedeeltelijk in Domburg en Ulft vervaardigd.
Uit: de Opgang geïllustreerd. Weekblad voor de godsdienst, wetenschap en kunst 20 mei 1922.
Wijnhandel Nolet a/d Graafseweg te Nijmegen
Anthony Nolet


Zwager Frans Deurvorst uit Ulft probeerde hem ook te helpen door garant te staan voor zijn hypothecaire lening, ook deze tussenkomst kon echter niet voorkomen dat Nolet in 1924 genoodzaakt zag vrijwel zijn gehele Tooropcollectie te veilen.

“Deze Dante is de eerste die ik getekend heb”, Toorop 1914.

Jan Toorop

DANTE IN HELSFEREN 1914

Dit werk van Jan Toorop was in bezit van Deurvorsts zwager Anthony Nolet uit Nijmegen het werd in 1924 geveild bij de Fa. A. Mak te Amsterdam.

Op de achterzijde was vermeld dat dit zijn eerste Dante afbeelding die door hem was getekend. Een soortgelijk werk schonk Toorop aan componist/dirigent Willem Mengelberg. “Voor al het heerlijk genotene wat mijn hart en geest zoo goed heeft gedaan, wat gij, Mengelberg met uw enorme gaven en groote bezieling de wereld en mij persoontje onze harten en onze innerlijken wist te begeesteren” De Mengelbergs dankten de schilder voor deze gave, maar lieten wel doorschemeren dat de sombere Dante-kop in hun huiskamer een schrikeffect teweeg bracht!

Hij maakte in hetzelfde jaar overigens diverse Dante figuren, wel op kleiner formaat (krijt met houtskool) en veelal “en Profil”, zie onderstaande afbeeldingen.

Dante 61 x 47 cm (Houtskool en Krijt)

Dante (zwart krijt + potlood) 29 x 19,5 cm – Rijksmuseum Twente

Toegepaste kunst : Emaillewerken door Jan Toorop.

omslagontwerp Antoon Molkenboer

Katholieke Illustratie 21 december 1918

Agnus Dei (Lam Gods)
Uit: Onze Kunst jrg 14. 1915 door Miek Janssen
Uit : Toegepaste Kunsten “Sieraden “ in Nederland door jkvr dr. C.H. de Jonge deel 18 (1924).

Het monogram staat voor Jaqueline Deurvorst-Vonk de Both, de echtgenote van Frans Deurvorst.

Jacqueline Deurvorst

St. Josef en het Christuskind 1912
Emaille op plaatijzer afm. 22 x 22 cm

1925 Plasschaert (1912.27)
1978 Nijmegen cat.56
1990 Domburg, cat. 164
1990 Christie’s 22 m2i, cat.164 (nalatenschap van Moorsel)

Alphons Diepenbrock 1911. “Door de Klank der Noot gebonden”

Alphons Diepenbrock 1911 (zwart krijt 49,5 x 32,2 cm) part.coll.

Het hoofd licht voorovergebogen, het voorhoofd doorploegd. de wenkbrauwen gefronst en de ogen half gesloten, alsof hij naar het binnenste van zichzelf staart en een verre, een hemelse muziek verneemt.

Jan Toorop verhuisde in 1908 van Amsterdam naar Nijmegen. Deze stad was een van de “buitensteden” waar ook Mengelberg en het Concertgebouworkest met een zekere regelmaat kwamen concerteren. Meestal zocht Toorop na afloop de dirigent op om een praatje te maken. Er werd dan ook wel gesproken over de componist Alphons Diepenbrock, die hij in Amsterdam had leren kennen. Toorop nodigde in 1911 Diepenbrock uit naar Nijmegen te komen. “Je moet weten, omdat ik zooveel van je werk houd en je niet meer zoals in Amsterdam nu en dan eens sprak, ik wou zoo graag, omdat ik je werk zoo hoog stel, je kop eens teekenen. Zou dat niet kunnen?” Diepenbrock kwam en toen heeft Toorop het bekende, zeer karakteristieke impressionistisch portret van Diepenbrock in zijn atelier aan de Barbarossastraat te Nijmegen gemaakt. Merkwaardig genoeg was Diepenbrock zelf niet helemaal content met dit portret. Hij oordeelde: “Het is eenzijdig! Een zure Grübler!”

Toorop was ook een verdienstelijk pianist en evenals Diepenbrock een groot bewonderaar van Wagner, hij bezocht er zelfs ook de Bayreuther Festspiele.

Alphons Diepenbrock (1862-1921) zijn vader en diens naaste voorouders kwamen uit het Duitse Bocholt (Westfalen). Slechts zeven kilometer afstand van de Nederlandse grens, gelegen aan de Aa, een zijriviertje van de Oude IJssel. Dat wat het rustieke landschapsbeeld betreft doet denken aan de Gelderse Achterhoek. In deze streek zit in de volkstaal nog een flinke scheut Nederlands. Alphons zijn grootvader Bernard Diepenbrock (1793-1877) was medefirmant(directeur) van de IJzergieterij Diepenbrock & Reigers in Ulft. Hij woonde op het landgoed Haus Horst te Holtwick een buurtschap nabij Bocholt.

Tekening van Haus Horst omstreeks 1869

Een broer van zijn grootvader Melchior Diepenbrock werd bisschop van Breslau en later tot kardinaal verheven. Alphons heeft zijn oudoom nooit gekend want deze overleed negen jaar voordat hij werd geboren, hij bezocht tijdens zijn jeugd geregeld zijn grootvader op het landgoed Holtwick. Kon dan genieten van diens verhalen over de romantische Duitse dichters Hölderlin en Brentano, deze laatste was trouwens een graag geziene gast op Holtwick. Deze beide dichters waren voor hem later een grote inspiratiebron voor zijn beroemde composities waaronder Marsyas, Zomernacht en die Nacht.

Een andere broer van zijn grootvader Conrad Joseph Diepenbrock legde de ontmoetingen met dichter Brentano vast in onderstaand verslag uit 1876 met als titel “Ein Familienfest zu Holtwick”

Sütterlin handschrift door Conrad Diepenbrock

In 1877, Alphons was toen 15 jaar, overleed zijn grootvader. Een broer van Alphons moeder Jan Kuytenbrouwer was voor hem een grote inspirator op muziekgebied. Hij wist hem alles te vertellen over de muziek en componisten. Hij was vrijgezel en had zijn hart verpand aan de muziek. Hij speelde een behoorlijke partij piano en had diverse pianoconcerten o.a. van Beethoven en Schumann onder de knie, wanneer hij met vrienden kamermuziek maakte mocht Alphons de blaadjes omslaan. Toen Jan Kuytenbrouwer in Kleef ging wonen logeerde Alphons geregeld bij hem.

Alphons Diepenbrock op 15 jrg. leeftijd

Er was nog een andere binding met de Achterhoek. Alphons zusters Lidwina en Marie bezochten namelijk op 16 jarige leeftijd het meisjesinternaat c.q. kostschool De Zwanenburg in Megchelen. Het was in die tijd rondom 1875 een gerenommeerde kostschool waar veel aandacht aan de klassieke talen werd geschonken. Deze school werd door Duitse zusters van het Filles de la Croix geleidt. Hun klooster stond in Aspel bij Rees in Duitsland, maar door de Kulturkampf werd deze orde verdreven en moesten ze uitwijken naar Nederland. De kloosterzusters vonden tot 1888 hun tijdelijk onderkomen in het leegstaande kasteel de Zwanenburg in Megchelen.

Kasteel de Zwanenburg bij Megchelen omstreeks 1900 (gedeeltelijk gesloopt)
Uit: Oprechtse Haarlemsche Courant 24-09-1875

Bijzonder en/of toevallig was de moeder van Alphons een nicht van de beroemde dichter J.A. Alberdingk Thijm, zijn dochter werd benoemd tot 1 van de directrices op de Zwanenburg te Megchelen!!

Alphons Diepenbrock heeft aan de logeerpartijen bij zijn grootvader in Haus Horst steeds dierbare herinneringen bewaard. Dit blijkt wel uit het feit dat toen hij te Laren in het Gooi een zomerhuis liet bouwen doot architect Leliman, hij daar de naam “Holtwick” aan gaf.

Op 5 april 2021 is het 100 jaar geleden dat Alphons Diepenbrock in Amsterdam overleed. https://www.diepenbrock-catalogus.nl/work/18

Vermiste werken van Jan Toorop o.a. 2 Ulftse emailleplaten.

Mw. Paulina De Bruijn-van Lede

Villa Dreyerheide Graaf van Rechterenweg in Oosterbeek het woonhuis van mw. P. De Bruijn- van Lede

Gedurende 1915-1919 vervaardigde Toorop de bekende Kruiswegstaties in opdracht van de gefortuneerde mw. P.J.M. de Bruijn-van Lede dit ter gedachtenis aan haar overleden man. Ze schonk deze aan de parochiegemeenschap van de Sint Bernulphus in Oosterbeek. De religieuze bewogenheid en mystieke symboliek komen er voortreffelijk in tot uitdrukking. Zijn portretkunst vindt er haar bekroning in. Hij beeldde op de vijfde statie de Ulftenaar Engelbart Robben uit die model stond voor Simon van Cyrene.
Zelf schrijft hij zijn vriend en mecenas Toon Nolet op 03-03-1917 het volgende hierover. “…Ik heb weer een nieuwe Kruiswegstatie gereed, ” Simon van Cyrenen…” Gep. dinsdag is die naar Oosterbeek. Deze statie is weer goed rijp, expressief, sober en rijk van rust, lijn en kleur geworden. Heel mooi van kleur en expressie de figuren. ‘ t is goed bezonken. Een heel arbeid aan gehad, heb er heerlijk aan gewerkt. Deze week ben ik weer een nieuwe Statie begonnen. Zeg Toon, ik zit er nu zoo goed in. ’t is beter dat ik doorga ermeê want zij worden steeds beter. Ik werk zoo rustig hier (Villa Zeno in Ulft) Ik zal Mignot schrijven nog een week of twee uit te stellen. Dit werk dat moet ik tot een prachtig geheel doorzetten. Mevrouw De Bruijn en de pastoor waren zo opgetogen over de Christus voor Pilatus.”

Jan Toorop experimenteerde bij de IJzergieterij-en emailleerfabriek DRU in Ulft vanaf 1912 met een aantal emaille werken. Veelal op plaatijzer vervaardigd en meestal religieus getint. Zo ook onderstaande werken die ontvreemd zijn ten gevolge van de Naziroofkunst.
1e Aangifte form. inzake ontvreemding emaille-werk van Jan Toorop door mw. P. de Bruyn-van Lede

Soortgelijk Maria-afbeelding als bovenstaand is tijdens de 2e wereldoorlog verdwenen uit Villa Dreijerheide in Oosterbeek. Het was eigendom van mw. P. de Bruyn-van Lede. De familie moest namelijk evacueren door de op handen zijnde oorlogshandelingen (Market Garden) en werd de villa niet meer door de familie bewoond. In September 1944 was het hoofdkwartier van de 21ste Independant Parachute Company hierin gevestigd.

De vermoedelijke ontvreemde emailleplaat (zie ook onderstaande beschrijving)
2e Aangifteformulier Emaillewerk Christus aan het kruis met twee engelen op een wit fond

In het Stedelijk Museum te Amsterdam , tijdens de tentoonstelling van werken van JAN TOOROP (4 Oktober–2 november 1941) maakten 2 emaillewerken deel uit van de expositie.
nr. 130 Kruisiging Email–28,5 X 28,5cm uit 1912
Oosterbeek, particuliere collectie


nr.131 De HL. Maagd Email–19,5 X 19,5 cm uit 1912
Oosterbeek, particuliere collectie



3e aangifte form. Een crayontekening met als titel Dante in de Hel verdween ook uit haar villa.




Toorop vond in de famiie van Lede een goede opdrachtgever voor zijn werken vooral zijn portretten waren gewild getuige onderstaande afbeeldingen, een bijzonder fraai portret en profil van Guusje van Lede uit 1917 op 8 jarige leeftijd en van haar ouders.
Onmiskenbaar was Jan Toorop de beroemdste Nederlandse portrettist van zijn tijd.Critici roemden zijn portretten unaniem vanwege hun treffende karakterisering.




Toorop had aanvankelijk een andere compositie van Guusje van Lede gemaakt. Op de originele uitvoering oogt ze minder vriendelijk maar dit zal wel aan de poseersessie hebben gelegen.!
Guusje (Augustina C.J.A Oudemans-van Lede (1909-1993)
C.J.A. van Lede (1884-1954) (museum de Fundatie -Zwolle)

M. van Lede-de Kuyper(1888-1967) (museum de Fundatie- Zwolle)

Vergeten Toorop portretten uit Arnhem 1919.

In 1919 vervaardigde Jan Toorop deze twee portretten in opdracht van de familie Stokvis uit Arnhem. De opdrachtgevers Philip J. Stokvis (1867-1942) en zijn vrouw Anne Stokvis-Pinkhof (1877-1956) woonden in villa Sindersenk aan de Velperweg 31 te Arnhem.

Stokvis was directeur van de Koninklijke Metaalwarenfabriek W.J. Stokvis en zijn fabriek bevond zich aan de Oude Kraan in Arnhem.

Metaalwarenfabriek W.J. Stokvis in Arnhem na het bombardement 1945

Het was een goed florerend bedrijf en maakte aanvankelijk lampen, haarden en badkamer inrichtingen. Later ook gebruiksvoorwerpen en vanaf 1934 stalen meubelen. Ze hadden een bekende industriële vormgever in dienst Johan Cornelis Stoffels (1878-1952). De D.R.U. in Ulft leverde al het gietwerk waaronder de bekende gietijzeren badkuipen, haarden (Stokvis Inventa) gasfornuizen-en komforen.

reclame affiches 20 er jaren

Waarschijnlijk heeft Frans Deurvorst Toorop geintroduceerd bij zijn zakenrelatie. De afgebeelde werken stellen hun twee kinderen voor respectievelijk zoon en dochter.

Willy (1903-1943) en Charlotte (Lottie) (1906-1990). Het echtpaar Stokvis had in December 1918 de Toorop-expositie bij Kleykamp in Den Haag gezien ter ere van zijn 60e verjaardag. Ze waren erg onder de indruk van een meisjesportret, dat bewuste werk was vermoedelijk dat van Cara Nolet, de dochter van Deurvorst’s zwager Anthony Nolet! Behalve deze portretten werd ook een tekening ,uit dezelfde tijd gemaakt, aangekocht met als titel Pitié.

Pitié 1919 Krijt,penseel en aquarel op papier 20,3 x 13,5 cm

De Joodse familie Stokvis ontving thuis regelmatig Nederlandse en internationale dirigenten en musici die in Arnhem optraden en soms ook voor concerten bij hun thuis. o.a. de Weense concertpianist en muziekpedagoog Paul Weingarten (1886-1948). De gevierde dirigent van het Concertgebouworkest Willem Mengelberg (1871-1951) was ook een graag geziene gast. Ook stond het echtpaar in contact met de internationaal bekende architect Frank Lloyd Wright (1867-1959). Vader en zoon Stokvis werden 1942’43 beide vermoord in Auschwitz, hun fabriekspand werd in 1945 tijdens de slag om Arnhem vrijwel geheel vernield.

Saillant detail inzake een ander Tooropwerk. De zwager van directeur Stokvis ,later zelf directeur van de firma, Abraham da Silva ( 1879-1957) gehuwd met Estella Stokvis (1873-1952) moesten gedwongen door de Duitse bezetter hun woonhuis aan het Bothaplein 4 in Arnhem verlaten in verband met hun Joodse afkomst. De inboedel was verpakt en tijdelijk opgeslagen aan de Velperweg 31 te Arnhem, alvorens verzending naar de Prins Hendriklaan 1 in Amsterdam had kunnen plaatsvinden. Hier werd door de Duitsers o.a. de crayontekening van Jan Toorop waarop 3 gestyleerde engelen met een harp (25 x 15 cm) geconfiskeerd. Verantwoordelijk in deze is waarschijnlijk Helmuth Temmler, hij was leider van het Gaukommando Düsseldorf en één van de Duitsers die Arnhem systematisch leegroofde toen de Britten en de lokale bevolking waren verjaagd. Hij zat ook achter de geruchtmakende nazikunstroof van dr. Smidt van Gelder uit “Villa Ben Travato” aan dezelfde straat (Velperweg no. 18 !) o.a het gestolen kunstwerk (de Oestermaaltijd- Jacob Ochtervelt (1634-1682).

Aangifte formulier d.d. 4 Oktober 1945 m.b.t. ontvreemde kunst. (Archief Stichting Nederlands Kunstbezit)
Brief van de Arnhemse NSB burgemeester Schermer aan de Rijkscommissaris

Plunderingen in Arnhem Najaar 1944.

Foto’s P. de Booys Arnhem

IJzergieterij Ulft 1910

Houtskool met wat krijt J.Th. Toorop 1910
Het aftappen van het vloeibare ijzer 1904 (foto R. Velsink)

Het eerste werk dat Jan Toorop maakte bij de DRU te Ulft was een interieur schets van de gieterij. Dat hij de realiteit goed heeft benaderd geeft bovenstaande foto goed weer. Ook het tijdsbeeld komt overeen. Toorop had meer aandacht voor de werkende arbeider, het sociaal realisme , de industrieschilder Herman Heijenbrock daarentegen meer voor de industriele technologische aspecten.

In 1904 verscheen een artikel in de Hollandsche revue van Frans Netscher over diens bezoek aan de IJzergieterij en Emailleerfabriek Diepenbrock & Reigers. Hij werd hoogstpersoonlijk rondgeleid door directeur Frans Deurvorst en geïntroduceerd op alle afdelingen die leiden tot het gegoten en geemailleerd eindproduct. In de gieterij aangekomen geeft hij op treffende wijze zijn verslag weer.

Herman Heijenbrock DRU interieur ijzergieterij omstreeks 1918 (pastel)

“Daar wachtte ons een ongewoon, frappant schouwspel”. Het was een tafereel een schilderij van een Helschen van Breughel waardig. ’t Leek of er een gat gebarsten was in de huid van de Hel en alsof nu zijn gloeiende ziedende, kokende inhoud in een dikken stroom uit dit gat naar buiten stroomde, terwijl de helleknechten met langstelige vorken stonden te wachten om aan te vallen. Grote flakkers licht sloegen tegen de mensen, op den vloer en tegen de zoldering aan. Het was de klep van de smeltoven, die, omdat de inhoud gaar was, de vloeibare ijzerpap in een dikken, bijna wit gloeiende breistroom naar buiten liet glijden, zoo maar, alsof ’t er niets op aan kwam, alsof ’t waardeloos wegvloeide. Maar halfcircelvormig stonden de werklui gereed met groote lepels aan lange stelen, dicht bij de dikke, klonterig gloeiende straal, rossig beschenen door het gelige schijnsel van het bruischkokende gietsel, dat hun met schamplichten fantastich belichtte. Ieder op zijn beurt, op de rij af, hield dan de gietpan onder de straal. En zoodra die vol was, ging hij er mee lopen, op een klein drafje om zoo gauw mogelijk met zijn nog heete gietpap zijn vormen te bereiken, gebogen met het bovenlijf, naar beneden getrokken door het zware gewicht van de gloeiende vracht. En zoo dwaalden er overal door de hels-fantastische vormzaal van die gloeiende stippen in een macabere zwartheid heen.

Sommige van die gietpannen, groter en bestemd voor het gieten van groote voorwerpen, werden door twee van die helleknechten tusschen zich in gedragen aan lange draagstangen. En al die gietduivels liepen heen naar de vormen, die ze in de loop van den dag gemaakt hadden. En hun gietpannen opheffend naar het gaatje, dat ze in de gietaarde gespaard hadden om er het gietsel in te laten loopen en waarbij ze een klein stukje wit papier gelegd hadden om ’t in het halfduister beter te kunnen vinden, deden ze de vloeibare ijzerbrei er met één omhaal van de gietpan inloopen, dadelijk gaande naar den volgende vorm. Begaat de gieter hierbij een kleine onhandigheid, aarzelt hij even en laat hij het gietsel er niet inééns en in de juiste hoeveelheid invloeien, dan is het gegoten voorwerp bedorven. En aangezien de ijzergieters op stuk werken en de door hun schuld bedorven artikelen niet betaald krijgen, wordt er van hun een grote oplettendheid bij dit werk vereischt. Is de gietpan leeg, dan begeven ze zich weer naar het opengebroken hellegat, nemen weer plaats in de wachtende rij, om opnieuw aan de beurt te komen voor een nieuwe vulling en opnieuw het gedraaf met de gloeiende gietpannen door de zaal te beginnen. Onze oogen met de hand tegen de hitte beschermend, bleven we dit duivelengehol eenigen tijd staan aankijken, terwijl de heer Deurvorst ons inmiddels door eenige cijfers een denkbeeld trachtte te geven van wat hier omging, gaf hij het advies maar eens door te loopen ’t wordt hier wel wat te warm en ’t is slecht voor de oogen.!

Onderstaand gedicht illustreert de sfeer in de gieterij.

De Mijnwerker (1915) Epos van de Arbeid.

v.l.n.r. dir. staatsmijnen J.C.F. Bunge,monseigneur H.A. Poels, Jan Toorop,Anthony Nolet, Miek Janssen, mijningenieur E. Wintgens en de Hoensbroekse pastoor Jan Röselaers.

Acht jaar na het portret van Ariëns nam Toorop opnieuw het initiatief voor de uitgave van een litho om geld in te zamelen voor een goed doel. Bovenstaand bezoek aan de mijnen te Heerlen en Hoensbroek in 1915 had diepe indruk op Toorop gemaakt. Om het werk van de kapelaan daar te steunen besloot Toorop een litho te laten uitkomen waarvan de opbrengst ten goede zou komen aan de bouw van een kerk. Hij tekende daartoe een van de mijnwerkers aan de arbeid. In een voordracht naar aanleiding van zijn bezoek aan Zuid-Limburg had de kunstenaar zich enthousiast uitgelaten over de “prachtige-Griekschen bouw” van sommige werknemers in de mijnen, maar de oudere man op zijn tekening, met zijn zorgelijke blik en ingevallen gelaat, verbeeldt vooral het zware bestaan van deze beroepsgroep. Enkele maanden later kwam de kleurenlitho uit, met rechtsonder een gedrukte signatuur en het opschrift ‘ Lith. Lankhout, Den Haag. De prent is geproduceerd door de Haagse lithografische inrichting S. Lankhout & Co, die in de jaren negentig van de negentiende eeuw ook een aantal van Toorop’s affiches had gedrukt. Al meteen is de Litho in een oplage van enkele duizenden verschenen. De uiteindelijke oplage bedroeg 6000 exemplaren. Toorop was erg ingenomen met het resultaat: “Ik heb zoo juist de reproductie op ware grootte van Lankhout ontvangen (proef) en die is buitengewoon mooi uitgevallen.” T’is wonderlijk de teekening gelijk’ schreef hij aan zijn vriend Anthony Nolet uit Nijmegen die hem ook vergezelde tijdens zijn bezoek aan de mijnstreek. (zie foto). Bernardus Molkenboer noemde de steendruk in Het Centrum van 4 december 1915 ‘uitnemend geslaagd’ Volgens Molkenboer moet de litho worden gezien als de ‘verheerlijking van het diep-gesmade mijnwerk” en is de prent in al haar lugubere zwartheid tegelijk een kreet om bijstand en een apotheose van de helden deze onderwereld. De litho was onder meer te koop bij de Amsterdamse boek-en kunsthandel C.L. van Langenhuysen, maar de verspreiding verliep ook via andere kanalen. In Nijmegen werd de prent door een enthousiaste groep Toorop-liefhebbers, onder wie Agatha Donkers, huis-aan-huis aan de man gebracht. Kennelijk was dit een succesvolle methode. In een brief van 10 januari 1916 aan de Maastrichtse Jezuïet Oscar Hof meldde Toorop dat de verkoop overal goed loopt en hij vroeg zich af of er in Maastricht niet ook zo’n propagandistisch troepje te vormen is.

(Bovenstaande foto is welwillend beschikbaar gesteld door hr. Royakkers Universiteit van Maastricht)

Een reusachtige crayon van een steenkoolhakkende mijnwerker in flauw verlichte mijnschacht” schreef de Haagse redacteur van het dagblad De Tijd op 30 Juni 1915 naar aanleiding van de expositie van Tooropwerken bij kunsthandel Theo Neuhuys in Den Haag . De Mijnwerker werd daar voor het eerst aan het publiek getoond.
De voorstelling toont een “Limburgse Kompel” een bonkige oude man, mager, maar wel gespierd. In gehurkte houding hakt hij de zwarte steenkool uit het Carboon van de stoffige pijler. De markante en karakteristieke kop straalt ondanks zijn zware beroep wilskracht, vastberadenheid en toewijding uit.

Het houweel symboliseert de strijd en de worsteling om een weg te breken door de harde materie, de mijnlamp het licht, de gedachte en bezinning.

Litho de Mijnwerker 1915.
Toorop’s werken de Mijnwerker en de IJzergieter werden wel eens door elkaar gehaald en ook verkeerde titels aan toe geschreven . Uit: Het Volk 14 september 1935. (IJzergieter dateert uit 1920)