Toegepaste kunst in Ulft – DRU emaillewerk – omstreeks 1912 door Jan Toorop.

Emailleschaaltje (privé-bezit) polychrome fantasie compositie met in de gebogen randversiering florale motieven en krakelingen, centraal logo DRU omlijst met 4 x J.Toorop.
12x15x3,6cm

Met dank aan Jan Nieuwenhuizen Segaar

Vanaf 1912 experimenteerde Jan Toorop ,op kleine schaal, met emaillewerken op plaatijzer. Dit kwam tot stand met medewerking van zijn vriend Frans Deurvorst in diens Emailleerfabriek te Ulft.

Een verkorte weergave van zijn fascinatie voor dit emailleprocede is te lezen in het Algemeen Handelsblad 19 december 1918.

“En eenklaps kon Toorop zijn roerloosheid niet meer bedwingen. De sterke werker wilde zelf meewerken met de andere fabriekswerkers, hij wilde ook werken met dezelfde grondstoffen waarmede het fabrieksvolk bezig zag. Ineens was hij met zijn gloeiendste extase verliefd maatloos geextasieerd door dit ijzer en emaille. Hij wilde het niet slechts aanraken, zelf met zijn eigen handen, neen! Die ruwe grondstoffen verlangde hij met zijn nerveusen vingers tot een levend kunstwerk te beroeren. Hij wilde scheppen naar zijn aard! En zo daar, in den Ulftschen Gieterij en Emailleerfabriek dat Toorop op verschillende formaten plaatijzer uit die bonte mengsels van emaillekleuren zocht naar een geschikte compositie. Eerst moest hij geduld hebben tot de dekkende laag grondemaille als een grijze fond op het ijzer wasgegoten en gebakken, toen pas kon hij aan het beelden gaan. Doch al naarmate den aard der mineraalmengsels kan men alle kleuren der staalkaart aan het emaille verlenen – de diepste en heftigste kleuren, de felste en heetste verven, een orgie van de wildste en meest fantastische couleuren!!”

Men kent Toorop’s passie voor al wat kleur is, Telkens wanneer de kunstenaar daarginds in Ulft kwam, liefst om in den rustigen vriendenkring stilte en afleiding te zoeken en tegelijk zich diep te verinnerlijken en naar inspiratie te dromen voor nieuwen scheppende arbeid dan dwaalde hij door de wijde fabrieksruimten zo vol van daverend rumoer, maar zoo vol van levende beweging en vurigste kleuren rondom.

Van grote reizen kon na 1920 niet meer sprake zijn wel van korte naar Ulft bijvoorbeeld, hij leerde zich te berusten in de voortsluipende verlamming van zijn linkerbeen dat gepaard ging met veel pijn en ongemak.

Ulftenaar Evert Bourgondiën stond model voor Toorop’s IJzergieter uit 1922.

Enkele anatomische studies w.s. gebruikt voor de IJzergieter.

Evert Bourgondiën stond 100 jaar geleden model voor één van de vijf pastelwerken van IJzergieters gemaakt door Jan Toorop. Al deze werken werden bij de DRU in Ulft vervaardigd. Op 14 jarige leeftijd begon hij in 1904 zijn loopbaan in het poetshok, hier werden de gegoten producten middels vijlen en krabbers ontdaan van allerlei onrechtmatigheden (braam). Door zijn fysieke kracht en lang postuur kwam hij al snel in aanmerking voor de functie van ijzergieter in de gieterijafdeling.

Het zware werk bestond uit handmatig gemiddeld 50 kg vloeibaar ijzer met een gietpan van de Coupoloven naar de gietvormen te lopen! Toorop raakte geïnspireerd door zijn gespierde,krachtige verschijning en beeldde hem op 32 jarige leeftijd uit tijdens zijn veelvuldig verblijf bij Frans Deurvorst in Villa Zeno te Ulft. Op de achtergrond van het werk zijn een vijftal gestileerde ijzergieters in ArtDeco-stijl weergegeven die geduldig in een rij staan opgesteld en op hun beurt wachten om het gloeiende,vloeiende ijzer bij het helse vuur van de ovenmond met toewijding op te vangen.

4e van links Evert ,met zijn kenmerkende postuur ,als jubilaris bij zijn 50 jarig dienstverband bij DRU (1954)
De fraaie in Jugendstil uitgevoerde fabriekspoort diende natuurlijk als decor.



mw Wilbrink-Bourgondiën dochter van Evert met een isografie van haar afgebeelde vader.

Het originele manshoge pastel van deze IJzergieter ( 176 x 125cm) maakt deel uit van de collectie van het museum te Helmond.

Tin en Jacqueline Ulft 1910

Jacqueline Deurvorst-Vonk de Both en Marcel “Tin” Deurvorst 1910
zwart krijt en pastel, 430 x 340 mm

Opschrift
l.b.: Jacq. Deurvorst-Vonk De Both.
r.b.: Marcel Deurvorst./ J.Th. Toorop/fec/ ULFT/1910
Jacqueline Deurvorst en haar zoon Marcel poseren voor Toorop in de tuin van Villa Zeno in Ulft


Villa Zeno in Ulft

De tekening bevat een opmerkelijke combinatie van beeltenissen, zowel en profil en en face. Door de lange blonde lokken van het kind lijkt het alsof we met een meisje te maken hebben, maar het matrozenpakje verraadt anders. Het gaat om de toen vijfjarige Marcel Deurvorst (1905-1989) de jongste van de vijf zonen van Jacqueline en Frans, die later elektrotechnisch ingenieur zou worden. De wens om nog een dochtertje bleef bij Jacqueline na het overlijden van Elske (8 maanden oud) in 1902 onvervuld. Wellicht is het gemis van een meisje aan de haardracht van zoontje Marcel te wijten! Jacqueline lijkt diep in gedachten te zijn verzonken terwijl ze een roos in haar hand houdt. Toorop gebruikte de roos veelvuldig als bloeiend symbool in zijn werken dat in zijn visie de liefde, het leven en de dood moest uitbeelden. Het werk werd op talloze exposities tentoongesteld en geldt als een van de meesterwerken uit zijn portretkunst.

Omstreeks 1910 tijdens een tennis partijtje

Exposities:

1914 – Kunsthandel Neuhuys Den Haag cat. 52

1915 – Amsterdam

1928 – Pulchri Den Haag cat. 93

1930 – Herdenkingsboek J. Toorop no. 36a

1978 – Nijmegen Commanderie van st. Jan

2000 – Nijmegen Valkhof cat. 24b

Portretkunst wordt gedefinieerd als een representatie van een persoon, in het bijzonder van het gelaat, naar het leven gemaakt: een gelijkenis. Goede portretten zijn niet zomaar gelijkenissen, het zijn kunstwerken die op verschillende manieren bekeken , gepresenteerd en begrepen kunnen worden. Belangrijk is de functie die het portret had in een bepaalde tijd: een exacte registratie van het uiterlijk van een persoon; een weergave van zijn of haar identiteit, of een kunstzinnige uiting die bepaald wordt door compositie, kleurgebruik, sfeer enz. Ook de manier waarop Toorop omging met de problemen die zich voordeden bij het verbeelden van gezichtsuitdrukkingen, gebaren, kleding, attributen en enscenering zoals bovenstaand portret dat in de tuin gemaakt werd. Een portret geeft dus meer prijs dan alleen de gelijkenis, het geeft een tijdsbeeld en vertelt het verhaal van geportretteerde en maker……..

Een leven lang portretteren ofwel in de woorden van Toorop, “Smoelletjes maken” heeft uiteindelijk een veelheid aan beeltenissen opgeleverd. Behalve politici, bestuurders en “vrouwtjes” heeft Toorop ook zichzelf, zijn gezin en familie uitgebeeld, zijn vrienden en kennissen, kunstenaars, literatoren en geleerden, componisten en musici, geestelijken en kinderen. “Goed voor de zak, maar beroerd voor de humeur” zo gaf Toorop in 1915 componist Willem Heijdt aan hoe hij over zijn talloze portretopdrachten dacht. Duidelijk is wel dat het portretwerk een belangrijke bron van inkomsten voor Toorop was. Hoeveel hij precies verdiende met het portretteren wordt duidelijk uit de vroegst bekende brief van Toorop aan Anthony Nolet uit Nijmegen (13 oktober 1908) , met de prijzen van de verschillende typen en formaten: “ Zie ik heb pas een portret in waskleuren geschilderd van mevrouw de douairière de Vos van Steenwijk, het was een portret met de handen erbij (levensgroot). Hiervoor vroeg ik 1000 fl. In olieverf komt dit op dezelfde prijs en 1200 fl. Meer als schilderij behandeld. Een buste komt op 700 fl à 600. In zwart crayon 300 fl à 400 fl met de handen 600 fl.

Ir. Marcel Deurvorst staand 2e van rechts in 1952
Afgebeeld tijdens het afscheid van prof.dr.ir H. Gelissen. Directeur van de PLEM
olieverf op doek door Hetty Kluijtmans

Toorop’s Ulftse IJzergieters in veiling bij Galerie Kornfeld in Bern 15 Juni 2006

Ulftse IJzergieters 1920 houtskool met krijt op velijnpapier 75 x 61 cm

Twijfelachtige en omstreden herkomst omtrent bovenstaand werk van Jan Toorop uit 1920 dat in 2006 ter veiling in Zwitserland werd aangeboden. Er ontbraken provenance gegevens en/of etiketten van de kunsthandel. Doorgaans worden op veilingen werken uit particulier bezit aangeboden en vaak geeft het veilinghuis de naam van de verkoper niet prijs. Herkomst valt dan ook moeilijk te traceren. Het veilinghuis Kornfeld in Bern had goede contacten met kunsthistoricus dr. Erhard Göpel ( 1906-1966) (zie onderstaande foto) tijdens de 2e Wereldoorlog chef-inkoper voor het Hitler museum in Linz. Hij handelde in geroofde kunstwerken tijdens zijn verblijf in Den Haag, na de dood van Posse die zowel Göring als Hitler van kunstwerken voorzag werd hij diens opvolger.

https://www.fold3.com/image/291857322 National Archives

In het boek van Adriaan Venema Kunsthandel in Nederland 1940-1945 blz 198 kan worden opgemaakt dat Göpel in de zomer van 1943 ook een rol heeft gespeeld in het smokkelen van schilderijen vanuit Dinxperlo over de Duitse grens. (verklaring opgemaakt 9 april 1946) zie het naoorlogs rapport van wachtmeester postcommandant van de Rijkspolitie te Dinxperlo W. Visser.

Hotel Boland in Dinxperlo omstreeks 1904.

Betreffende wachtmeester had zomer 1943 te horen gekregen dat vanuit Dinxperlo schilderijen over de Duitse grens gesmokkeld werden. Ondanks de bezetting had men voor schilderijen toch een uitvoervergunning nodig. Hij was dan ook op zijn hoede en Juli 1943 was het zover. In Hotel Boland stond een selectie schilderijen tentoongesteld. August Boland de hoteleigenaar verklaarde daarover: ” In de zomer van het jaar 1943 verschenen in mijn zaak te Dinxperlo een man en een vrouw. Deze personen waren per auto en het bleek dat zij een groot aantal schilderstukken bij zich hadden. De vrouw vroeg aan mij of ik de serre van mijn hotel even wilde afstaan voor het houden van een tentoonstelling! Daartegen had ik geen bezwaar. De lieden deden erg geheimzinnig, althans de serre werd door hen angstvallig bewaakt en niemand dan zij kwamen er in. Ook ik ben niet tijdens de tentoonstelling naar binnen geweest. Visser en collega gingen kijken. Naast het “echtpaar” was er nog een Duitser. De dame in het gezelschap probeerde Visser te intimideren. De schilderijen waren enkel neergezet om door de Duitser, een expert, te worden goedgekeurd, zei ze. Want, zo voegde zij eraan toe, als de schilderijen werden goedgekeurd, zouden ze worden overgebracht naar het Führermuseum in Linz. De man toonde daarop de toch wel verbouwereerde wachtmeester een brief met veel Duitse stempels. Visser had zo zijn eigen ideeën. Misschien waren, dacht hij, de schilderijen uit een museum gestolen. Hij kreeg toen te horen dat hij naar Den Haag moet bellen, naar dr. Göpel, dat deed de wachtmeester en hij kreeg Frau Göpel aan de telefoon die hem verzekerde dat de zaak in orde was. Hoewel alles nu goed leek te zitten vond Visser het toch maar beter dat het hele stel uit Dinxperlo verdween. De Duitser had zich overigens al uit de voeten gemaakt en het “echtpaar” verdween ook schielijk niet nadat ze de collega van Visser die achter was gebleven toen de wachtmeester vanuit het bureau naar Göpel ging bellen, van alles hadden toegestopt, zoals chocolade en een pak koffie. Visser controleerde de persoonsbewijzen van de man en de vrouw en ook het pak met de lekkernijen. Dat bleek bestemd te zijn voor Herrn Terstegge, een Duitse kunsthandelaar die even over de grens woonde en al vaker verdacht was van smokkel. De namen van de man en vrouw : Jan Dik jr. en Johanna Velthuyzen. Johanna Velthuyzen werd over haar bezoek aan Dinxperlo later gehoord (verhoor 18 oktober 1948) Volgens haar verklaring ging het om schilderijen die aan de Duitse kunsthandelaar Malmedé aangeboden moesten worden ( Kunsthaus Arthur Malmedé in Keulen handelde in kunstwerken uit de door Nazibezette gebieden) Deze Arthur Malmedé zou niet naar Nederland mogen komen omdat hij een Joodse vrouw had en daarom moesten de schilderijen zo dicht mogelijk bij de Duitse grens worden gebracht, hij was de Duitser die zo schielijk verdween!

Wie was nou deze Jan Dik jr.? Dit heerschap geboren in 1917 werkte als leerling-restaurateur bij de bekende kunsthandel Jacq, Goudstikker te Amsterdam, waar zijn vader ook als restaurateur werkzaam was. Alois Miedl (1903-1970) was een Duitse kunsthandelaar en vriend van Hermann Göring deze kocht na de tragische dood van Goudstikker in het eerste oorlogsjaar diens kunsthandel op voor de helft van de taxatiewaarde. Als tegenprestatie beloonde hij de personeelsleden met een aanzienlijke geldsom (Judaspenningen) als ze niet in protest gingen over deze lage aankoopsom. Jan Dik jr. kreeg HFL. 25.000,- en startte in 1941 een eigen kunsthandel, hij werkte als taxateur van geroofd Joods kunstbezit en handelde o.a. met Hermann Göring. In Wim M.A. Weitjens vond hij een metgezel. Met nog andere compagnons hebben ze voor miljoenen aan kunstbezit naar Duitsland verkocht. Na de oorlog werd Jan Dik jr. veroordeeld tot 3 jaar gevangenisstraf ( Parool 11-02-1949) hij ontsprong echter de dans en vestigde zich in Zwitserland (La Tour de Peilz), aan de Zwitserse Riviera in de buurt van Lausanne. Het laat zich raden uit welke bron c.q. nalatenschap het geveilde Toorop’s werk de “Ulftse IJzergieters kwam!

Toorop’s emaillewerk “Agnus Deï” prijkte in ‘s Hertogenbosch (1913).

Het was zeker goed gedacht dat men deze tentoonstelling onzer oude kerkelijke kunst inrichtte in het oude ‘s Hertogenbosch aan den voet van dat schitterende gewrocht dier kunst, Allard Duhamel’s St. Janskerk, die er den grandiozen rythmus harer belijningen loszingend ten hemel stuwt. Er hangt in dezen stad, rond deze kathedraal nog iets van de sfeer, waarin men dingen als de hier getoonde eigenlijk dient te zien. En de gehele smaakvolle wijze van exposeren verhoogde nog de stemming, temeer waar uiteraard de grote meerderheid der hier tezamen gebrachte kunstschatten behoorde tot den Roomsch-Katholieke eeredienst.
Zo opende Jos. Destreé zijn artikel in het geïllustreerde maandschrift Onze Kunst van oktober 1913 over deze expositie.

Het was een ontmoeting tussen kerk en cultuur er waren talrijke religieuze decoratieve kunstvoorwerpen en lithurgische gebruiksvoorwerpen te zien. Het is een interessante collectie geworden dankzij de medewerking van Jan Toorop. Opmerkelijk is ook hier zijn werk van kerkelijke tekeningen van een geprononceerd karakter, vooral van een tweetal émaille-schilderingen op het formaat van een kleine tegel voor kerkversiering. Het stelt de “Kruisiging” voor met gratievolle engelenfiguren en een bekoorlijke “Madonna met Kind“. Maar het meest in het oog springende was wel zijn émaille-werk “Agnus D” de voorstelling van het Lam God’s ,wat hij recent had ontworpen, voor het tabernakeldeurtje ten behoeve van de st. Willibrordkapel in Domburg. De steeds in monumentale technieken geïnteresseerde Toorop experimenteerde met fabrieks-émaille in de emailleerfabriek D.R.U van zijn vriend en mecenas Frans Deurvorst in Ulft. Hij wist in deze decoratieve werken prachtige kleurencombinaties te bereiken. Het geeft de impressie weer van een kleurrijk oud Italiaans mozaïk werk en is rijk met goud-émaille ingevuld.

Willibrord kapel te Domburg omstreeks 1912 (Jan Toorop staand links bij het raam)
St.Josef met Christuskind.
Dit emaillewerk was eigendom van mw. Van Moorsel-Poelhekke, ook mogelijk afkomstig van het altaar(tabernakeldeurtje)
eigendom: gemeente Veere

Heeft het werk van Jan Toorop een modern karakter, dat kan ook gezegd worden van de kerkelijke tekeningen van Joan Collette uit Werkhoven bij Utrecht.

Glas in lood Madonna met kind :Joan Collette

De meeste kunstenaars op het gebied van de kerkelijke kunst houden toch min of meer aan oudere tradities vast waarmee natuurlijk niet gezegd is dat zij niet knap en verdienstelijk werk leveren. Sommigen verwierven trouwens terecht reeds lang een goede naam, zo Jan Dunselman, de kunstschilder uit Watergraafsmeer, die diverse schetsen en tekeningen voor kerkschilderingen exposeert. Dorus Hermsen uit ’s Hertogenbosch van wie bovenstaande fraaie triptiek is naar aanleiding van Kronyken van Cuperinus over de godsdienstzin en de arbeid van het Bossche volk. Ook onderstaand affiche is van zijn hand. Tevens zijn kleurige werkplannen van beschildering voor de Haagse Josefkerk.

De bekende kunstwerkplaatsen van Cuypers & Co. uit Roermond exposeren er gipsafgietsels, tekeningen van uitgevoerd gebrand glas -in- lood vensters, betimmeringen en kerkmeubelen. Ook architecten exposeren er o.a Jan Stuyt uit Amsterdam met tekeningen en foto’s van het klooster te Oirschot en H. Willebrorduskerk te Berkel bij Tilburg. Verder nog kerkinterieurs uit Rotterdam, Delft en Hoogerheide van Jaq. van Gils uit Rotterdam.

“Peinzende Kunstenaar met Engel tokkelend aan de Harp” 1921

Gekleurd krijt op papier 1921

Op 10 augustus 1921 schreef Jan Toorop vanuit Den Haag met het verzoek aan Frans Deurvorst of hij zijn werk “ Peinzende Kunstenaar met Engel tokkelend aan zijn harp” mocht lenen. Het was voor zijn tentoonstelling in Haarlem georganiseerd door Otto van Tussenbroek, directeur van het Museum van Kunstnijverheid aldaar. Hij garandeerde dat het transport beter zal verlopen dan de Duitse verzending uit Berlijn (secession). Ook schreef hij dat hij in oktober een tijdje in Ulft zou doorbrengen en zou er zijn “ driewiel hand beweeg “ mee nemen. “Met mijn poot gaat het hoe langer hoe slechter”!

De schoonzus van Frans Deurvorst Helene Nolet-Vonk de Both (1882-1967) woonde in Nijmegen. Zij genoot pianolessen van de bekende Nederlandse componist, pianist,dirigent en muziekpedagoog Wllem Kerper (1879-1946) deze was verbonden aan de muziekschool (maatschappij tot bevordering der toonkunst) te Nijmegen. Toorop maakte op een briefkaart een schets van haar pianolessen in 1912.

Anthony Nolet was voorzitter van de toonkunst en zelf een gevierd baritonzanger in Nijmegen (Koninklijke Zangvereniging Nijmeegs Mannenkoor). Ook internationaal trad hij op weliswaar in het naburige Duitse stadje Kleef.

uit: provinciale Geldersche en Nijmeegsche courant 13~12~1907
Anthony Nolet
Hélène Nolet-Vonk-de Both

Christus Eucharisticus Nijmegen 1909

Christus Eucharisticus 1909

Dit pastelwerk ( gedateerd ‘09 Nijmegen) van Jan Toorop was jaren eigendom van Anthony Nolet uit Nijmegen een zwager van Frans Deurvorst uit Ulft. In 1912 maakte het werk deel uit van de categorie Religieuze Kunst tijdens de expositie Kunst en Nijverheidstentoonstelling Oud-Heidelberg in Nijmegen (zie onderstaande catalogus).De tekening is in Art Deco achtige stijl ,wiskundig, mathematisch in bouw uitgevoerd de rechte lijn is er in alles en de rechthoekige driehoek. De Christus Eucharisticus reikt zijn lichaam in het sacrament aan geknielde frêle Zeeuwse kinderen, als model uiterst rechts beeldde hij zijn dochter Charley uit.

In 1924 kwamen veel werken uit de collectie van Nolet ,waaronder deze pastel, in veiling bij de fa, A. Mak te Amsterdam (4 november 1924 ) nr. 870) waarschijnlijk is het uitgevallen want op 15 mei 1928 veilde hetzelfde veilinghuis het werk opnieuw (veiling Atelier Toorop nr. 190 ) en dit bracht maar liefst hfl 4.400,—op. Op exposities in Zürich (1910) en Berlijn (1909) Berliner Secession (1912) droeg het werk de titel “Die Heilige Eucharistie” – Jesu und die Kinder . In 1994 was het voor het laatst te zien op een expositie in Middelburg afb. 92. Het bevindt zich waarschijnlijk in particulier bezit.

Detail

Onvrijwillige verkoop van de Ulftse IJzergieter uit 1920?

IJzergieter 1920 door Jan Toorop

Op 18 Augustus 1933 bevestigt de Gemeente Amsterdam dat het Stedelijk Museum de “IJzergieter” (1920) in bruikleen neemt voor een periode van vijf jaar. ( Dit naar aanleiding van een aanbod in Maart 1933) Bruikleengeefster is “Mw. H. van Leer-van Karnebeek, Honthorststraat 38 te Amsterdam. Op de oude inventariskaart heeft het werk het nummer: B 43. De IJzergieter 1920. 158 x 98 cm Gesigneerd L.O. : J.Th. Toorop 1920 Mw. H. van Leer Bruikleen 1933 Verder vermeldt de kaart: “retour eigenaar?? d.d.”

De Joodse familie van Leer
vrachtschip “De Morgenster”

Voor de Duitse inval wordt het werk op 1 september 1939 in veiligheid gebracht op een schip, “De Morgenster” (Archief sma folder 696, bescherming van kunstwerken in oorlogstijd, nr. 433: De IJzergieter (zonder nadere aanduiding)

Laatst gezien : Tentoonstelling Jan Toorop, SMA 4 okt.-2 nov. 1941, nr. 157 overgenomen van Centraal Museum Utrecht, 1 juli-1 september 1941; verlengd tot 7 sept.

Op 22 december 1942 kwam het werk in veiling bij S.J. Mak van Waay in Amsterdam onder lot.nr. 507. Dit veilinghuis sympathiseerde en collaboreerde met de Duitsers in de oorlog, die hun geroofde kunst meestal uit Joods bezit ter veiling aanboden. Joodse families werden ook onder dwang gezet en waren genoodzaakt onvrijwillig hun kunstcollectie aan te bieden. (Met dank aan dhr. van Lamoen S.M.A)

Stel je even voor december 1942. Zegt de kunsthandelaar c.q. veilinghouder tegen de Joodse eigenaar van het kunstwerk; misschien kan ik voor uw kinderen een onderduikadres regelen en voor u ook wel, maar dan wil ik wel dat u mij die Toorop verkoopt, natuurlijk voor de helft van de taxatiewaarde.
Wat een prachtige dochter hebt u trouwens!

Simon Mak van Waay (1875-1945)

Simon Mak van Waay vreesde tijdens de bevrijding dat hij de doodstraf zou krijgen voor zijn gecollaboreer met de Duitsers, hij suïcideerde zich op 5 mei 1945!

Tentoonstelling “Nederlandsche Schilderkunst”, Kunstzalen B. Pollmann, Broerstraat 36, Nijmegen, november 1943.

De kunsthandelaar: Bernard Pollmann (1866-1940) opende in 1890 een winkel in servies en huishoudelijke artikelen in Arnhem. Gaandeweg opende hij diverse filialen waaronder Broerstraat 36 in Nijmegen. Daar opende hij in november 1940 de Kunstzalen B. Pollmann, een paar maanden na zijn dood zal zijn zoon Bernard Johann Heinrich Pollmann ( *Arnhem 19 april 1894), die op 18 mei 1920 trouwde te Arnhem met Maria Johanna Hulst (Zevenaar 7 mei 1894). Na de oorlog (rond 1948) woont hij in de Mesdagstraat 32 te Nijmegen.

Het verwoeste pand na het geallieerde vergissingsbombardement op 22 februari 1944 te Nijmegen

Op 22 februari 1944 werd Nijmegen door de geallieerden gebombardeerd. Daarbij ging het grootste deel van het werk van Ger P. Adolfs (1897-1968) verloren. Hij had nog in September 1943 bij Pollmann geëexposeerd. Meer dan zestig schilderijen van Eugène Lücker (1876-1943) en vijftien van de Nijmeegse kunstenares Helena de Baat (1909-2005) werden vernietigd. Of Toorop’s werk de IJzergieter destijds is vernietigd dan wel voor die tijd verkocht werd blijft onduidelijk. Wellicht heeft Mr. W.M.A. Weitjens destijds Lid van de Hoge Raad 1941-1946 (tijdens de oorlogsjaren in Nijmegen gesitueerd) een bedenkelijke rol in de tot standkoming van eventuele aan/verkoop gehad en is het toch in handen van de Nazi’s belandt. Deze Weitjens (1897-1977) is bij uitspraak van het Tribunaal voor het Arrondissement ’s Gravenhage van 10 mei 1948 veroordeeld wegens zijn nationaal-socialistische gezindheid en dubieuze kunsthandel met de vijand. De rol van Weitjens in de Kunsthandel in Nederland tijdens de oorlog wordt beschreven in het in 1998 gepubliceerde boek Roof van G. Aalders en Kunsthandel in Nederland, 1940-1945 van Adriaan Venema over dezelfde periode, gepubliceerd in 1986. Weitjens wordt tijdens de oorlogsjaren namelijk ook genoemd in de aan/verkoop van een ander Tooropwerk “Het Gebed voor de Maaltijd” uit 1907 afkomstig van de Joodse familie Flersheim, op de achterzijde van dit werk (olieverf op karton) bevond zich een etiket met de naam “Collectie mr. W.M.A. Weitjens-Nijmegen) Saillant detail, W.M.A. Weitjens woonde in 1938 evenals mw. H. van Leer-van Karnebeek (eigenaar van de IJzergieter) in de Honthorststraat 46 te Amsterdam ,slechts 3 huizen van elkaar verwijderd. Het ligt voor de hand dat er gedurende die periode reeds contacten waren.!

De afbeelding van de Ulftse IJzergieter in zijn uitgebeelde fysieke kracht paste goed als propagandamateriaal in de Nazi-kunst met betrekking tot hun “Körperkultur” en ideaal beeld van de arbeider ten dienste van volk en vaderland. Het werk heeft veel overeenkomst met het kunstwerk van de Duitse kunstschilder Arthur Kampf (1864-1950) “Im Walzwerk”. Het in 1901 vervaardigde werk prijkte dan ook in 1939 uitbundig prominent in Hitler’s kunsttempel tijdens de grote expositie in het Haus der Deutschen Kunst in München. (nr./Jahr:533/1939 Saal:3

Arthur Kampf Im Walzwerk

Zäh wie Leder, hart wie Kruppstahl

Na de Tweede Wereldoorlog zijn een groot aantal rechtsherstelverzoeken afgewezen of hebben onderhandelingen geleid tot zeer nadelige schikkingen voor Joodse eigenaren. Zo werden Holocaustoverlevenden gedwongen afstand te doen van hun rechten in ruil voor “geldelijke compensatie”. Daarnaast werden verkopen aan de Duitse bezetter als “vrijwillige verkoop” gekwalificeerd, zelfs indien dit gepaard ging met bedreigingen, een te lage aankoopprijs was betaald, of nooit toegang tot het geldbedrag was verkregen omdat Joodse bankrekeningen werden bevroren! De geallieerden hebben veel geroofde kunstwerken opgespoord, waarna deze werden teruggevoerd naar het land van herkomst. Nationale overheden kregen de opdracht te gestolen kunstwerken terug te geven aan de rechtmatige eigenaren, maar de voorgenomen recuperatie botste in continentaal Europa op een weerbarstige bureaucratie en soms echt verkeerd handelen. In Zuid- Duitsland bijvoorbeeld zijn er na de oorlog vanuit de overheid zelfs kunstwerken niet gerestitueerd aan hun eigenlijke Joodse eigenaren, maar aan hoog geplaatste families in de Nazi-hiërarchie, waaronder de familie Göring, Hoffmann en Bormann. In 2014 baarde de vondst van veel nazi-roofkunst bij kunstverzamelaar Gurlitt nog voor veel opzien. Ook bevinden zich veel gestolen kunstwerken in museale collecties en wellicht stuiten we ooit nog eens op Toorop’s werk de “IJzergieter”.

“Engel der Eingebung” Inspiratie 1920.

Op de achterzijde prijkt nog gedeeltelijk het etiket van Deurvorst Den Haag en met krijt Deurvorst Ulft

directeur Frans Deurvorst bij zijn pensionering in 1927
v.l.n.r Marcel Deurvorst,Frank Deurvorst,Melchior Deurvorst, Eduard Deurvorst en Zeno Deurvorst.

Bovenstaande bijzondere pastel van Toorop is zowel in techniek , stijl en onderwerp typerend voor de laatste fase van de ontwikkeling van deze veelzijdige kunstenaar, waarin zowel zijn katholieke geloof als zijn gevoel voor mystieke spiritualiteit zijn werk bepaalden. We zien een engel en profil afgebeeld, die een in doeken gehulde man inspiratie influistert. Achter zijn hoofd bespeelt de engel een harp Vier engelen met bazuinen vullen de linkerbovenhoek. In de kop van de man kunnen we wellicht de middeleeuwse dichter Dante herkennen, die door Toorop vaak werd afgebeeld. Hij staat dan symbool voor de dichter of de kunstenaar die in zichzelf besloten, zich niet weet open te stellen voor het hogere. Zijn ogen gesloten, beschaduwd gezicht en de doeken die hem omsluiten tonen zich af te willen sluiten. De engel daarentegen wekt hem op en schenkt hem de hemelse inspiratie die hij nodig heeft. De stijl is een moderne verwerking van de eeuwenoude religieuze kunst die sinds de katholieke emancipatie in de negentiende eeuw weer een inspiratiebron was geworden voor kunstenaars.

Zo langzamerhand na 100 jaren valt de ééns zo gerenomeerde en befaamde Tooropcollectie van Frans Deurvorst (1857-1931) uit Ulft uiteen. Na het overlijden van nazaten werden de laatste 20 jaren al grote delen van deze collectie verkocht of geveild. Zowel musea als particulieren vullen voor exorbitant hoge bedragen hiaten in hun collectie op. Hoe lang zullen deze prijzen nog in stand blijven? In Oktober 2021 kwam dit fraai pastelwerk ( 93 x 89 cm) uit 1920 in de veiling. Werk van vergelijkbaar niveau is nauwelijks meer voor aankoop beschikbaar. Vooral het werk uit zijn symbolistische periode is momenteel erg gewild. Kunstwerken zijn echter gemaakt om hun maker en bezitters te overleven en zijn in die zin altijd al een boodschap en een geschenk aan komende generaties.

Ars longa Vita Brevis

In de literature: Just Havelaar, “De meesterwerken van Jan Toorop” Amsterdam 1923-1924, ill. No. 21.

Algemeen Dagblad, Van Kerk tot Beurs? Toorop’s “Inspirerende Engel” 18 January 1924.

Albert Plasschaert, “Jan Toorop”. 1925 Amsterdam, p. 56. No.8.

Eere tentoonstelling Jan Toorop . Pulchri Den Haag, 4 April-2 Mei 1928 No. 165.

De Moderne Boekhandel, “Jan Toorop Kalender” 1941 Amsterdam, ill. Maand Januari.

De Grafiek van Jan Toorop

Toorop’s grafisch werk, ontstaan tussen ongeveer 1890 en 1919 neemt in de prentkunst van Nederland een bijzondere plaats in. Het is niet alleen in ons land maar daarbuiten al spoedig opgemerkt. Bij Toorop ontstond er een lijnenspel dat zich to Jugendstil of Art Nouveau ontwikkelde en als zodanig de kunst zou veroverenen bij uitstek de grafiek. Een gevolg was ook dat de vrije, naturalistische geinspireerde ets en litho aan terrein verloor en schilders zich meer voor de illustratie van boeken begonnen te interesseren en dat ze vignetten, ook omslagen en banden van boeken en tijdschriften ontwierpen. Deze ontwikkeling vond haar neerslag in tijdschriften als The Studio (1893) in Engeland, Van Nu en Straks (1893) in België, PAN (1895), Simplicissimus(1895) en Jugend (1896) in Duitsland en Ver Sacrum (1898) in Oostenrijk. De nieuwe kunst en alles wat daarmee samenhing trok omstreeks 1910 al vrij vlug de belangstelling van het bedrijfsleven en dat wil zeggen van bedrijven waarvan de directeuren hun veranwoordelijkheid ten opzichte van de samenleving beseften.

Omstreeks 1914 maakte Jan Toorop voor Frans Deurvorst een ontwerp voor het beeldmerk van de D.R.U. Deurvorst zelf had een opleiding genoten in Frankfurt aan de Städelschule met naast kunstopleidingen ook onderwijs in tekenen en architectuur en had vandaar een kunstzinnig besef en interesse.

ontwerp villa Zeno
bouwtekening emailleerfabriek Diepenbrock & Reigers door de bekende architect Gerrit Beltman

Dat wel bleek uit de bouw van zijn fraaie eclectische villa Zeno nabij zijn fabriekscomplex in 1896. Daarbij bezat hij één van de grootste Tooropcollecties in particulier bezit. De DRU had inmiddels een innovatieve periode afgesloten, de nieuwbouw van de emailleerfabriek was afgerond en kon zich scharen onder de modernste emailleerfabrieken van Nederland. Om de klant te overtuigen van de kwaliteit werd het etiket een soort “kwaliteitslabel” en of garantiecertificaat. Het bedrijf had de Delftse professor in de metallochemie Kley in dienst die het emaille moest testen en keuren. In het verleden bleek nl. dat kleine stukjes emaille van het gegoten en geemailleerde product zich konden loslaten en appendicitis (blindedarmontsteking) konden veroorzaken.

Hoewel Toorop zich pas in 1905 tot het Katholieke geloof begaf maakte hij in 1901 bovenstaande bandomslag met religieuze motieven voor de Nijmeegse M.C. Nieuwbarn professor aan het Dominicuscollege.

voorstudie affiche Calvé Delft
Toorop Pandorra
Toorop Pandorra

Ook de affiche bereikte in deze jaren haar eerste hoogtepunten. Cabaret, toneelstuk, levensverzekering, levensmiddelen en gebruiksartikelen werden aangeprezen door de ontwerpen van de kunstenaars-grafici.

In 1908 werd de DRU in Denemarken bekroond met een zilveren medaille tijdens een internationale tentoonstelling over kookapparatuur en aanverwant kookgerei met alle soorten en maten gietijzer-en geëmailleerde casseroles. Het affiche/oorkonde is een ontwerp van de bekende Noorse/Deense schilder Louis Moe (1857-1945).