Toegepaste kunst : Emaillewerken door Jan Toorop.

omslagontwerp Antoon Molkenboer

Katholieke Illustratie 21 december 1918

Agnus Dei (Lam Gods)
Uit: Onze Kunst jrg 14. 1915 door Miek Janssen
Uit : Toegepaste Kunsten “Sieraden “ in Nederland door jkvr dr. C.H. de Jonge deel 18 (1924).

Het monogram staat voor Jaqueline Deurvorst-Vonk de Both, de echtgenote van Frans Deurvorst.

Jacqueline Deurvorst

St. Josef en het Christuskind 1912
Emaille op plaatijzer afm. 22 x 22 cm

1925 Plasschaert (1912.27)
1978 Nijmegen cat.56
1990 Domburg, cat. 164
1990 Christie’s 22 m2i, cat.164 (nalatenschap van Moorsel)

Alphons Diepenbrock 1911. “Door de Klank der Noot gebonden”

Alphons Diepenbrock 1911 (zwart krijt 49,5 x 32,2 cm) part.coll.

Het hoofd licht voorovergebogen, het voorhoofd doorploegd. de wenkbrauwen gefronst en de ogen half gesloten, alsof hij naar het binnenste van zichzelf staart en een verre, een hemelse muziek verneemt.

Jan Toorop verhuisde in 1908 van Amsterdam naar Nijmegen. Deze stad was een van de “buitensteden” waar ook Mengelberg en het Concertgebouworkest met een zekere regelmaat kwamen concerteren. Meestal zocht Toorop na afloop de dirigent op om een praatje te maken. Er werd dan ook wel gesproken over de componist Alphons Diepenbrock, die hij in Amsterdam had leren kennen. Toorop nodigde in 1911 Diepenbrock uit naar Nijmegen te komen. “Je moet weten, omdat ik zooveel van je werk houd en je niet meer zoals in Amsterdam nu en dan eens sprak, ik wou zoo graag, omdat ik je werk zoo hoog stel, je kop eens teekenen. Zou dat niet kunnen?” Diepenbrock kwam en toen heeft Toorop het bekende, zeer karakteristieke impressionistisch portret van Diepenbrock in zijn atelier aan de Barbarossastraat te Nijmegen gemaakt. Merkwaardig genoeg was Diepenbrock zelf niet helemaal content met dit portret. Hij oordeelde: “Het is eenzijdig! Een zure Grübler!”

Toorop was ook een verdienstelijk pianist en evenals Diepenbrock een groot bewonderaar van Wagner, hij bezocht er zelfs ook de Bayreuther Festspiele.

Alphons Diepenbrock (1862-1921) zijn vader en diens naaste voorouders kwamen uit het Duitse Bocholt (Westfalen). Slechts zeven kilometer afstand van de Nederlandse grens, gelegen aan de Aa, een zijriviertje van de Oude IJssel. Dat wat het rustieke landschapsbeeld betreft doet denken aan de Gelderse Achterhoek. In deze streek zit in de volkstaal nog een flinke scheut Nederlands. Alphons zijn grootvader Bernard Diepenbrock (1793-1877) was medefirmant(directeur) van de IJzergieterij Diepenbrock & Reigers in Ulft. Hij woonde op het landgoed Haus Horst te Holtwick een buurtschap nabij Bocholt.

Tekening van Haus Horst omstreeks 1869

Een broer van zijn grootvader Melchior Diepenbrock werd bisschop van Breslau en later tot kardinaal verheven. Alphons heeft zijn oudoom nooit gekend want deze overleed negen jaar voordat hij werd geboren, hij bezocht tijdens zijn jeugd geregeld zijn grootvader op het landgoed Holtwick. Kon dan genieten van diens verhalen over de romantische Duitse dichters Hölderlin en Brentano, deze laatste was trouwens een graag geziene gast op Holtwick. Deze beide dichters waren voor hem later een grote inspiratiebron voor zijn beroemde composities waaronder Marsyas, Zomernacht en die Nacht.

Een andere broer van zijn grootvader Conrad Joseph Diepenbrock legde de ontmoetingen met dichter Brentano vast in onderstaand verslag uit 1876 met als titel “Ein Familienfest zu Holtwick”

Sütterlin handschrift door Conrad Diepenbrock

In 1877, Alphons was toen 15 jaar, overleed zijn grootvader. Een broer van Alphons moeder Jan Kuytenbrouwer was voor hem een grote inspirator op muziekgebied. Hij wist hem alles te vertellen over de muziek en componisten. Hij was vrijgezel en had zijn hart verpand aan de muziek. Hij speelde een behoorlijke partij piano en had diverse pianoconcerten o.a. van Beethoven en Schumann onder de knie, wanneer hij met vrienden kamermuziek maakte mocht Alphons de blaadjes omslaan. Toen Jan Kuytenbrouwer in Kleef ging wonen logeerde Alphons geregeld bij hem.

Alphons Diepenbrock op 15 jrg. leeftijd

Er was nog een andere binding met de Achterhoek. Alphons zusters Lidwina en Marie bezochten namelijk op 16 jarige leeftijd het meisjesinternaat c.q. kostschool De Zwanenburg in Megchelen. Het was in die tijd rondom 1875 een gerenommeerde kostschool waar veel aandacht aan de klassieke talen werd geschonken. Deze school werd door Duitse zusters van het Filles de la Croix geleidt. Hun klooster stond in Aspel bij Rees in Duitsland, maar door de Kulturkampf werd deze orde verdreven en moesten ze uitwijken naar Nederland. De kloosterzusters vonden tot 1888 hun tijdelijk onderkomen in het leegstaande kasteel de Zwanenburg in Megchelen.

Kasteel de Zwanenburg bij Megchelen omstreeks 1900 (gedeeltelijk gesloopt)
Uit: Oprechtse Haarlemsche Courant 24-09-1875

Bijzonder en/of toevallig was de moeder van Alphons een nicht van de beroemde dichter J.A. Alberdingk Thijm, zijn dochter werd benoemd tot 1 van de directrices op de Zwanenburg te Megchelen!!

Alphons Diepenbrock heeft aan de logeerpartijen bij zijn grootvader in Haus Horst steeds dierbare herinneringen bewaard. Dit blijkt wel uit het feit dat toen hij te Laren in het Gooi een zomerhuis liet bouwen doot architect Leliman, hij daar de naam “Holtwick” aan gaf.

Op 5 april 2021 is het 100 jaar geleden dat Alphons Diepenbrock in Amsterdam overleed. https://www.diepenbrock-catalogus.nl/work/18

Vermiste werken van Jan Toorop o.a. 2 Ulftse emailleplaten.

Mw. Paulina De Bruijn-van Lede

Villa Dreyerheide Graaf van Rechterenweg in Oosterbeek het woonhuis van mw. P. De Bruijn- van Lede

Gedurende 1915-1919 vervaardigde Toorop de bekende Kruiswegstaties in opdracht van de gefortuneerde mw. P.J.M. de Bruijn-van Lede dit ter gedachtenis aan haar overleden man. Ze schonk deze aan de parochiegemeenschap van de Sint Bernulphus in Oosterbeek. De religieuze bewogenheid en mystieke symboliek komen er voortreffelijk in tot uitdrukking. Zijn portretkunst vindt er haar bekroning in. Hij beeldde op de vijfde statie de Ulftenaar Engelbart Robben uit die model stond voor Simon van Cyrene.
Zelf schrijft hij zijn vriend en mecenas Toon Nolet op 03-03-1917 het volgende hierover. “…Ik heb weer een nieuwe Kruiswegstatie gereed, ” Simon van Cyrenen…” Gep. dinsdag is die naar Oosterbeek. Deze statie is weer goed rijp, expressief, sober en rijk van rust, lijn en kleur geworden. Heel mooi van kleur en expressie de figuren. ‘ t is goed bezonken. Een heel arbeid aan gehad, heb er heerlijk aan gewerkt. Deze week ben ik weer een nieuwe Statie begonnen. Zeg Toon, ik zit er nu zoo goed in. ’t is beter dat ik doorga ermeê want zij worden steeds beter. Ik werk zoo rustig hier (Villa Zeno in Ulft) Ik zal Mignot schrijven nog een week of twee uit te stellen. Dit werk dat moet ik tot een prachtig geheel doorzetten. Mevrouw De Bruijn en de pastoor waren zo opgetogen over de Christus voor Pilatus.”

Jan Toorop experimenteerde bij de IJzergieterij-en emailleerfabriek DRU in Ulft vanaf 1912 met een aantal emaille werken. Veelal op plaatijzer vervaardigd en meestal religieus getint. Zo ook onderstaande werken die ontvreemd zijn ten gevolge van de Naziroofkunst.
1e Aangifte form. inzake ontvreemding emaille-werk van Jan Toorop door mw. P. de Bruyn-van Lede

Soortgelijk Maria-afbeelding als bovenstaand is tijdens de 2e wereldoorlog verdwenen uit Villa Dreijerheide in Oosterbeek. Het was eigendom van mw. P. de Bruyn-van Lede. De familie moest namelijk evacueren door de op handen zijnde oorlogshandelingen (Market Garden) en werd de villa niet meer door de familie bewoond. In September 1944 was het hoofdkwartier van de 21ste Independant Parachute Company hierin gevestigd.

De vermoedelijke ontvreemde emailleplaat (zie ook onderstaande beschrijving)
2e Aangifteformulier Emaillewerk Christus aan het kruis met twee engelen op een wit fond

In het Stedelijk Museum te Amsterdam , tijdens de tentoonstelling van werken van JAN TOOROP (4 Oktober–2 november 1941) maakten 2 emaillewerken deel uit van de expositie.
nr. 130 Kruisiging Email–28,5 X 28,5cm uit 1912
Oosterbeek, particuliere collectie


nr.131 De HL. Maagd Email–19,5 X 19,5 cm uit 1912
Oosterbeek, particuliere collectie



3e aangifte form. Een crayontekening met als titel Dante in de Hel verdween ook uit haar villa.




Toorop vond in de famiie van Lede een goede opdrachtgever voor zijn werken vooral zijn portretten waren gewild getuige onderstaande afbeeldingen, een bijzonder fraai portret en profil van Guusje van Lede uit 1917 op 8 jarige leeftijd en van haar ouders.
Onmiskenbaar was Jan Toorop de beroemdste Nederlandse portrettist van zijn tijd.Critici roemden zijn portretten unaniem vanwege hun treffende karakterisering.




Toorop had aanvankelijk een andere compositie van Guusje van Lede gemaakt. Op de originele uitvoering oogt ze minder vriendelijk maar dit zal wel aan de poseersessie hebben gelegen.!
Guusje (Augustina C.J.A Oudemans-van Lede (1909-1993)
C.J.A. van Lede (1884-1954) (museum de Fundatie -Zwolle)

M. van Lede-de Kuyper(1888-1967) (museum de Fundatie- Zwolle)

Vergeten Toorop portretten uit Arnhem 1919.

In 1919 vervaardigde Jan Toorop deze twee portretten in opdracht van de familie Stokvis uit Arnhem. De opdrachtgevers Philip J. Stokvis (1867-1942) en zijn vrouw Anne Stokvis-Pinkhof (1877-1956) woonden in villa Sindersenk aan de Velperweg 31 te Arnhem.

Stokvis was directeur van de Koninklijke Metaalwarenfabriek W.J. Stokvis en zijn fabriek bevond zich aan de Oude Kraan in Arnhem.

Metaalwarenfabriek W.J. Stokvis in Arnhem na het bombardement 1945

Het was een goed florerend bedrijf en maakte aanvankelijk lampen, haarden en badkamer inrichtingen. Later ook gebruiksvoorwerpen en vanaf 1934 stalen meubelen. Ze hadden een bekende industriële vormgever in dienst Johan Cornelis Stoffels (1878-1952). De D.R.U. in Ulft leverde al het gietwerk waaronder de bekende gietijzeren badkuipen, haarden (Stokvis Inventa) gasfornuizen-en komforen.

reclame affiches 20 er jaren

Waarschijnlijk heeft Frans Deurvorst Toorop geintroduceerd bij zijn zakenrelatie. De afgebeelde werken stellen hun twee kinderen voor respectievelijk zoon en dochter.

Willy (1903-1943) en Charlotte (Lottie) (1906-1990). Het echtpaar Stokvis had in December 1918 de Toorop-expositie bij Kleykamp in Den Haag gezien ter ere van zijn 60e verjaardag. Ze waren erg onder de indruk van een meisjesportret, dat bewuste werk was vermoedelijk dat van Cara Nolet, de dochter van Deurvorst’s zwager Anthony Nolet! Behalve deze portretten werd ook een tekening ,uit dezelfde tijd gemaakt, aangekocht met als titel Pitié.

Pitié 1919 Krijt,penseel en aquarel op papier 20,3 x 13,5 cm

De Joodse familie Stokvis ontving thuis regelmatig Nederlandse en internationale dirigenten en musici die in Arnhem optraden en soms ook voor concerten bij hun thuis. o.a. de Weense concertpianist en muziekpedagoog Paul Weingarten (1886-1948). De gevierde dirigent van het Concertgebouworkest Willem Mengelberg (1871-1951) was ook een graag geziene gast. Ook stond het echtpaar in contact met de internationaal bekende architect Frank Lloyd Wright (1867-1959). Vader en zoon Stokvis werden 1942’43 beide vermoord in Auschwitz, hun fabriekspand werd in 1945 tijdens de slag om Arnhem vrijwel geheel vernield.

Saillant detail inzake een ander Tooropwerk. De zwager van directeur Stokvis ,later zelf directeur van de firma, Abraham da Silva ( 1879-1957) gehuwd met Estella Stokvis (1873-1952) moesten gedwongen door de Duitse bezetter hun woonhuis aan het Bothaplein 4 in Arnhem verlaten in verband met hun Joodse afkomst. De inboedel was verpakt en tijdelijk opgeslagen aan de Velperweg 31 te Arnhem, alvorens verzending naar de Prins Hendriklaan 1 in Amsterdam had kunnen plaatsvinden. Hier werd door de Duitsers o.a. de crayontekening van Jan Toorop waarop 3 gestyleerde engelen met een harp (25 x 15 cm) geconfiskeerd. Verantwoordelijk in deze is waarschijnlijk Helmuth Temmler, hij was leider van het Gaukommando Düsseldorf en één van de Duitsers die Arnhem systematisch leegroofde toen de Britten en de lokale bevolking waren verjaagd. Hij zat ook achter de geruchtmakende nazikunstroof van dr. Smidt van Gelder uit “Villa Ben Travato” aan dezelfde straat (Velperweg no. 18 !) o.a het gestolen kunstwerk (de Oestermaaltijd- Jacob Ochtervelt (1634-1682).

Aangifte formulier d.d. 4 Oktober 1945 m.b.t. ontvreemde kunst. (Archief Stichting Nederlands Kunstbezit)
Brief van de Arnhemse NSB burgemeester Schermer aan de Rijkscommissaris

Plunderingen in Arnhem Najaar 1944.

Foto’s P. de Booys Arnhem

IJzergieterij Ulft 1910

Houtskool met wat krijt J.Th. Toorop 1910
Het aftappen van het vloeibare ijzer 1904 (foto R. Velsink)

Het eerste werk dat Jan Toorop maakte bij de DRU te Ulft was een interieur schets van de gieterij. Dat hij de realiteit goed heeft benaderd geeft bovenstaande foto goed weer. Ook het tijdsbeeld komt overeen. Toorop had meer aandacht voor de werkende arbeider, het sociaal realisme , de industrieschilder Herman Heijenbrock daarentegen meer voor de industriele technologische aspecten.

In 1904 verscheen een artikel in de Hollandsche revue van Frans Netscher over diens bezoek aan de IJzergieterij en Emailleerfabriek Diepenbrock & Reigers. Hij werd hoogstpersoonlijk rondgeleid door directeur Frans Deurvorst en geïntroduceerd op alle afdelingen die leiden tot het gegoten en geemailleerd eindproduct. In de gieterij aangekomen geeft hij op treffende wijze zijn verslag weer.

Herman Heijenbrock DRU interieur ijzergieterij omstreeks 1918 (pastel)

“Daar wachtte ons een ongewoon, frappant schouwspel”. Het was een tafereel een schilderij van een Helschen van Breughel waardig. ’t Leek of er een gat gebarsten was in de huid van de Hel en alsof nu zijn gloeiende ziedende, kokende inhoud in een dikken stroom uit dit gat naar buiten stroomde, terwijl de helleknechten met langstelige vorken stonden te wachten om aan te vallen. Grote flakkers licht sloegen tegen de mensen, op den vloer en tegen de zoldering aan. Het was de klep van de smeltoven, die, omdat de inhoud gaar was, de vloeibare ijzerpap in een dikken, bijna wit gloeiende breistroom naar buiten liet glijden, zoo maar, alsof ’t er niets op aan kwam, alsof ’t waardeloos wegvloeide. Maar halfcircelvormig stonden de werklui gereed met groote lepels aan lange stelen, dicht bij de dikke, klonterig gloeiende straal, rossig beschenen door het gelige schijnsel van het bruischkokende gietsel, dat hun met schamplichten fantastich belichtte. Ieder op zijn beurt, op de rij af, hield dan de gietpan onder de straal. En zoodra die vol was, ging hij er mee lopen, op een klein drafje om zoo gauw mogelijk met zijn nog heete gietpap zijn vormen te bereiken, gebogen met het bovenlijf, naar beneden getrokken door het zware gewicht van de gloeiende vracht. En zoo dwaalden er overal door de hels-fantastische vormzaal van die gloeiende stippen in een macabere zwartheid heen.

Sommige van die gietpannen, groter en bestemd voor het gieten van groote voorwerpen, werden door twee van die helleknechten tusschen zich in gedragen aan lange draagstangen. En al die gietduivels liepen heen naar de vormen, die ze in de loop van den dag gemaakt hadden. En hun gietpannen opheffend naar het gaatje, dat ze in de gietaarde gespaard hadden om er het gietsel in te laten loopen en waarbij ze een klein stukje wit papier gelegd hadden om ’t in het halfduister beter te kunnen vinden, deden ze de vloeibare ijzerbrei er met één omhaal van de gietpan inloopen, dadelijk gaande naar den volgende vorm. Begaat de gieter hierbij een kleine onhandigheid, aarzelt hij even en laat hij het gietsel er niet inééns en in de juiste hoeveelheid invloeien, dan is het gegoten voorwerp bedorven. En aangezien de ijzergieters op stuk werken en de door hun schuld bedorven artikelen niet betaald krijgen, wordt er van hun een grote oplettendheid bij dit werk vereischt. Is de gietpan leeg, dan begeven ze zich weer naar het opengebroken hellegat, nemen weer plaats in de wachtende rij, om opnieuw aan de beurt te komen voor een nieuwe vulling en opnieuw het gedraaf met de gloeiende gietpannen door de zaal te beginnen. Onze oogen met de hand tegen de hitte beschermend, bleven we dit duivelengehol eenigen tijd staan aankijken, terwijl de heer Deurvorst ons inmiddels door eenige cijfers een denkbeeld trachtte te geven van wat hier omging, gaf hij het advies maar eens door te loopen ’t wordt hier wel wat te warm en ’t is slecht voor de oogen.!

Onderstaand gedicht illustreert de sfeer in de gieterij.

De Mijnwerker (1915) Epos van de Arbeid.

v.l.n.r. dir. staatsmijnen J.C.F. Bunge,monseigneur H.A. Poels, Jan Toorop,Anthony Nolet, Miek Janssen, mijningenieur E. Wintgens en de Hoensbroekse pastoor Jan Röselaers.

Acht jaar na het portret van Ariëns nam Toorop opnieuw het initiatief voor de uitgave van een litho om geld in te zamelen voor een goed doel. Bovenstaand bezoek aan de mijnen te Heerlen en Hoensbroek in 1915 had diepe indruk op Toorop gemaakt. Om het werk van de kapelaan daar te steunen besloot Toorop een litho te laten uitkomen waarvan de opbrengst ten goede zou komen aan de bouw van een kerk. Hij tekende daartoe een van de mijnwerkers aan de arbeid. In een voordracht naar aanleiding van zijn bezoek aan Zuid-Limburg had de kunstenaar zich enthousiast uitgelaten over de “prachtige-Griekschen bouw” van sommige werknemers in de mijnen, maar de oudere man op zijn tekening, met zijn zorgelijke blik en ingevallen gelaat, verbeeldt vooral het zware bestaan van deze beroepsgroep. Enkele maanden later kwam de kleurenlitho uit, met rechtsonder een gedrukte signatuur en het opschrift ‘ Lith. Lankhout, Den Haag. De prent is geproduceerd door de Haagse lithografische inrichting S. Lankhout & Co, die in de jaren negentig van de negentiende eeuw ook een aantal van Toorop’s affiches had gedrukt. Al meteen is de Litho in een oplage van enkele duizenden verschenen. De uiteindelijke oplage bedroeg 6000 exemplaren. Toorop was erg ingenomen met het resultaat: “Ik heb zoo juist de reproductie op ware grootte van Lankhout ontvangen (proef) en die is buitengewoon mooi uitgevallen.” T’is wonderlijk de teekening gelijk’ schreef hij aan zijn vriend Anthony Nolet uit Nijmegen die hem ook vergezelde tijdens zijn bezoek aan de mijnstreek. (zie foto). Bernardus Molkenboer noemde de steendruk in Het Centrum van 4 december 1915 ‘uitnemend geslaagd’ Volgens Molkenboer moet de litho worden gezien als de ‘verheerlijking van het diep-gesmade mijnwerk” en is de prent in al haar lugubere zwartheid tegelijk een kreet om bijstand en een apotheose van de helden deze onderwereld. De litho was onder meer te koop bij de Amsterdamse boek-en kunsthandel C.L. van Langenhuysen, maar de verspreiding verliep ook via andere kanalen. In Nijmegen werd de prent door een enthousiaste groep Toorop-liefhebbers, onder wie Agatha Donkers, huis-aan-huis aan de man gebracht. Kennelijk was dit een succesvolle methode. In een brief van 10 januari 1916 aan de Maastrichtse Jezuïet Oscar Hof meldde Toorop dat de verkoop overal goed loopt en hij vroeg zich af of er in Maastricht niet ook zo’n propagandistisch troepje te vormen is.

(Bovenstaande foto is welwillend beschikbaar gesteld door hr. Royakkers Universiteit van Maastricht)

Een reusachtige crayon van een steenkoolhakkende mijnwerker in flauw verlichte mijnschacht” schreef de Haagse redacteur van het dagblad De Tijd op 30 Juni 1915 naar aanleiding van de expositie van Tooropwerken bij kunsthandel Theo Neuhuys in Den Haag . De Mijnwerker werd daar voor het eerst aan het publiek getoond.
De voorstelling toont een “Limburgse Kompel” een bonkige oude man, mager, maar wel gespierd. In gehurkte houding hakt hij de zwarte steenkool uit het Carboon van de stoffige pijler. De markante en karakteristieke kop straalt ondanks zijn zware beroep wilskracht, vastberadenheid en toewijding uit.

Het houweel symboliseert de strijd en de worsteling om een weg te breken door de harde materie, de mijnlamp het licht, de gedachte en bezinning.

Litho de Mijnwerker 1915.
Toorop’s werken de Mijnwerker en de IJzergieter werden wel eens door elkaar gehaald en ook verkeerde titels aan toe geschreven . Uit: Het Volk 14 september 1935. (IJzergieter dateert uit 1920)

Schets van de IJzergieter 1920

schets en origineel van de Ulftse IJzergieter 1920

LIJNEN , VORMEN EN KLEUREN

Uit: Tijdschrift voor Godsdienst, Wetenschap en Letteren Jrg. 73 -1941 door J.W. Kerssemakers S.J.

Een uitgebreide en uiterst gedetailleerde beschrijving van de IJzergieter die Jan Toorop in 1920 maakte bij de DRU te Ulft, Kerssemakers geeft op treffende wijze de belevenis van Toorop weer.

**********

Schets (croquis) van een ijzergieter, door Jan Toorop.— Dezen keer toon ik u een voorstudie, of liever: de eerste notitie-naar-het-leven, van één van Toorops IJzergieters. Doch deze schets zegt mij honderd maal meer dan de wel fraaie, maar ook zoveel tammere definitieve teekening, zoals zij “officieel” het licht zag. Zeker: tot volle rijpheid in rust is deze eerste worp op het papier aanvankelijk nog niet gekomen. Hoe langer wij de schets echter bezien, des te meer ontdekken wij er de elementen in van levensechtheid en innerlijke kracht. Wel zal de leek op het interessante terrein der krabbels en ontwerpen ze moeten leeren “lezen”. Laat ik dan trachten ze voor u te “spellen” en spoedig zal, zoo hoop ik, blijken, dat het “verwarrende” van deze vlotte notitie, datgene wat haar schoonheid voor het ongeoefend oog verbergt, niets anders is dan juist: haar onmiddelijk contact met het volle nog ongelouterde leven. Beginnen wij met zoo nauwkeurig mogelijk vast te stellen, wat we zien. Een IJzergieter, die den zwaren gietpan tilt. Hiervan zien wij slechts den steel; den bak, die 25 á 30 pond vloeiend ijzer van de gietpan naar den gietvorm brengen kan, zien we niet. Maar wel voelen we in alles, dat het een zware last is dien deze man tilt. Het naakte bovenlijf, het verhitte gezicht, verraden ons den gloed van het werk.–De achtergrond biedt niet een reéele weergave van het milieu waarin het bedrijf wordt uitgeoefend, maar is een symbolisch décor, geheel in Toorop-stijl. Links, achter ’s mans rechterarm, zien we een brugboog die zich weerspiegelt in een water (de drie horizontale lijntjes; dat de verticale lijn van de brugopening in de weerspiegeling gebroken is, schijnt het gevolg van plaatsgebrek; op de teekening is hier meer ruimte gemaakt en loopt de lijn rechtdoor). De zwaardere lijn boven den boog (de lijn die den schouder raakt) is de rand van de borstwering; iets hoger, parallel met genoemde lijn, de aanzet van den anderen brugrand. Direct aansluitend aan deze lijn kan men, met eenige moeite, drie paardenkoppen onderscheiden (op de definitieve teekening zijn het er vier) : de drie koppen der ruiters ziet u terstond. de drie dunnere krabbels, die den voorsten brugrand snijden zijn de beweging der gestrekte in den wind waaiende mantels. Boven de ruiters uit: twee piramiden. het wigvormig stuk op de borst van het eerste paard kan ik niet thuisbrengen. Op de teekening vormt de knie van den eersten ruiter met de borst van zijn paard en den rand van de brug zulk een “wig” — of Toorop hier dus dit motief al door den geest, speelde ? Zeker is deze nog erg onvoldragen. Zonder de hulp van de latere teekening zou men er moeilijk achter komen, wat hier groeiende is. Aan den anderen kant, om den achtergrond meteen maar af te werken, de aanzet van twee vrouwenfiguurtjes, die later biddend-geheven handen zullen krijgen en slanke, in verticaal lijnenspel opgaande gestalten. Wie Toorop kent, kent ook dit soort figuren. Was in den achtergrond nog een zekere onbepaaldheid: in de figuur is alles even raak, behoudens op één punt een nog niet opgeloste dubbele gedachte. om dit beter te zien beginnen we links onderaan. Vier lijnen vormen hier de broekspijp. De meest linkse lijn loopt tot aan de heupen op. Een rand of gordel is op dit punt niet aangegeven (meer rechts wél). Inderdaad enigszins verwarrend is, dat de buitenlijn van de romp hier rechtstreeks overgaat in eenzaat een plooi van de broek schijnt te zijn. Het lijkt mij, at hier twee beenstellingen in het spel zijn: het vijfde lijntje hoort bij den tweeden stand. Deze heeft het op de teekening gewonnen, mét de doorlopende lijn : rompbeenprofiel. De meest-linksche lijn is er weggewerkt (slechts enkele hoekige plooien, zoals men er één, naast de hand, in aanzet ziet, omspelen daar heup en dijbeen), terwijl het vijfde lijntje, tot het kruis doorgetrokken, de broekspijp begrenst, samen met de tweede lijn van links. Duidelijker is daarmee echter de houding van den man op de teekening niet geworden: de draai in den romp is té groot voor dien beenstand. ook spant er in de schets, ondanks dit onopgeloste detail, een veél grootere kracht in den benen. Met een paar krachtige trekken zien we hier heel hun machtig schoren door den strakgelijnden plooival heen. En hoe geweldig rijst daarop die romp. Kras de schaduw in de van inspanning ingetrokken buikholte ; de ribben: twee trekken! de tweetoppige lijn op den linkerschouder is , naar schildersgebruik, de aanwijzing van een licht-en-schaduwgrens; hier: van den schaduwval van het hoofd op den linkerschouder.

Hoe zorgvuldig volgt die lijn elk reliéf van de spieren onder de huid. De linkerarm, die het meest den last torst en in een fel slaglicht is gezien: één wringen en wentelen van spierbundels. Let ook op de prachtige contouren van dezen arm! Den rechterarm, die den steel meer bestuurt, zag Toorop minder fel in licht-schaduw-contrast: uiterst interessant is het echter de omtreklijntjes na te gaan, waarmee hij hier de lichte en donkere partijen aangeeft. De omtrek van dezen bovenarm is knoestig als een lange eikenstam. De pols is geweldig; hij lijkt wat te plat, maar dat komt omdat er nog geen schaduw in den zijkant ligt. de greep van de vingers is kort maar krachtig vastgehouden; en voor het spel van spieren, beentjes en aderenop den rug van den hand was hem een net van ruitjes voldoende! Het hoofd zal menigeen weinig bekoren — en toch is die kop iets prachtigs! Die verbeten mond in de gloeiende wangen, die pluk haar op het bezweete voorhoofd, die ietwat toegeknepen oogen in lichte kassen, met (vooral aan het rechteroog) den schaduwrand van onderen : is dat niet geweldig raak ? De schedel schijnt misvormd, maar het boven platgeplakte haar valt opzij in een gulp uit, vandaar die vorm. Dat de rand van de teekening eng aan het hoofd stoot, geeft aan de figuur nog méér dat accent van samengebalde kracht, als van een elementair natuurgeweld. Bij de definitieve uitvoering heeft vooral die kop veel geleden, omdat hij te “mooi” geworden is. De neus en mond zijn er regelmatig, nobel zelfs; de oogen, met neergeslagen leden, liggen “normaal” in beschaduwde diepte. De romp is geglad tot een mooie “blanke borst”. Alleen in de armen en handen woelt nog de oerkracht na, zoals ze Toorop het eerst trof: toen hij den ijzergieter in de hitte van den arbeid zag; één brok daverend levensgeweld! Daarachter lokt het water met zijn koelte; gehelmde ruiters draven over de brug; eeuwige piramiden teekenen de kimmen—terwijl de huizengevels rijzen als stille bezinning en gebed. De veredelende rust is ten slotte ook over dezen zwoeger gekomen: hij werd een “schoone” ijzergieter. Maar ik acht mij toch gelukkig, hem in zijn eersten staat te hebben ontdekt ……….

J.W. Kerssemakers S.J.

IJZERGIETERIJ DRU +/- 1930

“Indië heeft veel voor mij betekend en kan niet meer uit mij worden weg gedacht,de grondslag van mijn werk is Oostersch” 1925.

Met deze woorden maakte Jan Toorop in 1925 tijdens een interview door Henri Wissing duidelijk dat hij altijd min of meer beïnvloedt werd door de Javaanse cultuur. (Henri Wissing, onder pseudoniem van F.I.R. van Eeckhout, gesprekken met kunstenaars Jan Toorop, 1925-p.14).

Dit kwam dan ook veelal tot uiting in zijn oeuvre ook in zijn latere symbolistische werken. Het schaduwspel van de Wajangpoppen prikkelde zijn fantasie en inspireerde hem tot de bewegende en geometrische lijnen in zijn symbolisme.

Zelfportret van Jan Toorop in zijn atelier ( 1880)
Detail van bovenstaande afbeelding

Dit zelfportret is dan ook bezield met Javaanse cultuur. Textielexperts Madelief Hohé van het Kunstmuseum en Daan van Dartel van het Museum van Wereldculturen keken mee: de uitgebeelde Batik is waarschijnlijk een Sarong en heeft typisch Javaanse puntvorming,Tumpal, schuingerekte vormen als dolken, Parang. De andere motieven op doeken zijn Indonesisch-Chinees van oorsprong. Hij draagt een Celena of slaapbroek, die veel door Indo-Europeanen werden gedragen. Het lijkt of Toorop al die spullen om zich heen wilde absorberen. Java hoort bij hem, hij toont zijn inspiratie met trots. De batik is dan ook prachtig in verf gevangen.

Met dank aan Wieteke van Zeil Kunsthistoricus (Volkskrant)

Litho Jan Toorop javaanse dans Serimpi-danseres 1927
Detail foto Serimpi danseres uit het Serimpiboek 1925
Ulftse IJzergieter uit 1922

Ulftse IJzergieters 1920
Ulftse IJzergieter 1920

Toorop vermengde in zijn symboliek invloeden van het Oosten met die van het Westen. Zo ook in zijn fraaie pastelwerken van de Ulftse IJzergieters. in plaats van een arbeiderskiel en broek beeldde hij ze af half ontbloot en gehuld in een Jarik (Javaanse broek of omslagdoek). Hierop zijn de “Oostersche” invloeden en kenmerken duidelijk zichtbaar, een ornamentaal kleurrijk lijnenspel, ritmisch weergegeven.

Familie Deurvorst poserend voor Villa Zeno omstreeks 1910.

Terwijl de zoontjes van fabrikant Deurvorst voor hun fraaie villa, keurig gekleed in matrozenpakjes, poseerden voor de fotograaf, troffen hun leeftijdgenootjes een heel andere entourage aan. In het poetshok moesten vanaf 12 jaar de z.g. poetsjongens de gegoten stukken ontdoen van allerlei onregelmatigheden zoals aangekoekt vormzand en braam. Met stalen borstels, vijlen en krabbers moesten ze het gietwerk schoonmaken. Dit ging gepaard met een grote hoeveelheid stof en door onvoldoende ventilatie en stofafzuiging zaten ze soms tot de enkels toe in de zwarte stofmassa. Het puntige scherpe anorganische stof veroorzaakte dan ook veel afwijkingen in het slijmvlies van neus, keel en longen dat resulteerde in trachitis,bronchitis met als complicatie longemfyseem en vormde een indirecte oorzaak van longtuberculose. Dit kwam dan ook geregeld in menig Ulfts gezin voor.

Schets door Jan Toorop van een poetsjongen

Onderstaand interview uit 1954 met een oud werknemer van de DRU geeft aan dat het werk als 12 jarige niet geheel zonder gevaar was.

Ook in de gieterij waren de arbeidsomstandigheden slecht. De ijzergieters liepen een groot risico op ernstige brandwonden. Gloeiende ijzerspatten konden tijdens het gieten in de klompen springen en veroorzaakten gevaarlijke 3e gr. brandwonden . Huisarts Ph. Cappetti werd dan ook vaak geraadpleegd om 1e hulp te bieden bij deze ernstige verwondingen.

Ph.P. Cappetti (1890-1955)

Zeeuws meisje leunend tegen een hooiberg 1904

olieverf op linnen 28,6 x 37,8 cm

Een fraai divisionistisch schilderij uit 1904, voorstellende “Girl resting against a haystack” kwam op 19 Februari 2019 onder de hamer bij het gerenomeerde veilinghuis Christie’s in Londen. Het werk maakte voor 1913 onderdeel uit van de collectie behorende aan Frans Deurvorst uit Ulft. Hij bezat destijds 1 van de grootste particuliere verzameling Tooropwerken van ons land. Het neo-impressionistisch uitgevoerd werk met naast elkaar geplaatste zuivere tinten van rood, groen en blauw geeft een prachtig kleurenpallet weer.

Provenance: F. Deurvorst, Ulft. before 1913 Kunsthandel L.J. Kruger, The Hague Anonymus sale, Sotheby’s, Amsterdam, 1 December 1997,nr.514. Acquired at the above sale by the present owner. Sale Christie’s, London, 19 February 2019, nr. 552

Impressionist and Modern Art Day Sale London 28 February 2019.

Price realised GBP 55.000

Briefkaart uit Domburg van Toorop aan Nolet 1912

Toorop raakte gefascineerd door het Zeeuwse landschap met zijn helder licht. Hij vond er inspiratie voor zijn talloze werken en bereikte prachtige lichteffecten. Hij koos vooral Zeeuwse meisjes en vrouwen in hun traditionele klederdracht die allerlei folkloristische handelingen aan het uitvoeren waren. Het hooien, melken, legen van een ton of het vervoeren van eieren in een mandje waren favoriete onderwerpen voor zijn composities.

zeeuwse meisjes te Domburg 1909 olieverf op paneel (26 x 39,5)
Collectie museum Jan Cunen Oss
Zeeuws meisje met mand in boomgaard (olie op paneel 37,4 x 29,5 cm). Particulier bezit