IJzergieterij Ulft 1910

Houtskool met wat krijt J.Th. Toorop 1910
Het aftappen van het vloeibare ijzer 1904 (foto R. Velsink)

Het eerste werk dat Jan Toorop maakte bij de DRU te Ulft was een interieur schets van de gieterij. Dat hij de realiteit goed heeft benaderd geeft bovenstaande foto goed weer. Ook het tijdsbeeld komt overeen. Toorop had meer aandacht voor de werkende arbeider, het sociaal realisme , de industrieschilder Herman Heijenbrock daarentegen meer voor de industriele technologische aspecten.

In 1904 verscheen een artikel in de Hollandsche revue van Frans Netscher over diens bezoek aan de IJzergieterij en Emailleerfabriek Diepenbrock & Reigers. Hij werd hoogstpersoonlijk rondgeleid door directeur Frans Deurvorst en geïntroduceerd op alle afdelingen die leiden tot het gegoten en geemailleerd eindproduct. In de gieterij aangekomen geeft hij op treffende wijze zijn verslag weer.

Herman Heijenbrock DRU interieur ijzergieterij omstreeks 1918 (pastel)

“Daar wachtte ons een ongewoon, frappant schouwspel”. Het was een tafereel een schilderij van een Helschen van Breughel waardig. ’t Leek of er een gat gebarsten was in de huid van de Hel en alsof nu zijn gloeiende ziedende, kokende inhoud in een dikken stroom uit dit gat naar buiten stroomde, terwijl de helleknechten met langstelige vorken stonden te wachten om aan te vallen. Grote flakkers licht sloegen tegen de mensen, op den vloer en tegen de zoldering aan. Het was de klep van de smeltoven, die, omdat de inhoud gaar was, de vloeibare ijzerpap in een dikken, bijna wit gloeiende breistroom naar buiten liet glijden, zoo maar, alsof ’t er niets op aan kwam, alsof ’t waardeloos wegvloeide. Maar halfcircelvormig stonden de werklui gereed met groote lepels aan lange stelen, dicht bij de dikke, klonterig gloeiende straal, rossig beschenen door het gelige schijnsel van het bruischkokende gietsel, dat hun met schamplichten fantastich belichtte. Ieder op zijn beurt, op de rij af, hield dan de gietpan onder de straal. En zoodra die vol was, ging hij er mee lopen, op een klein drafje om zoo gauw mogelijk met zijn nog heete gietpap zijn vormen te bereiken, gebogen met het bovenlijf, naar beneden getrokken door het zware gewicht van de gloeiende vracht. En zoo dwaalden er overal door de hels-fantastische vormzaal van die gloeiende stippen in een macabere zwartheid heen.

Sommige van die gietpannen, groter en bestemd voor het gieten van groote voorwerpen, werden door twee van die helleknechten tusschen zich in gedragen aan lange draagstangen. En al die gietduivels liepen heen naar de vormen, die ze in de loop van den dag gemaakt hadden. En hun gietpannen opheffend naar het gaatje, dat ze in de gietaarde gespaard hadden om er het gietsel in te laten loopen en waarbij ze een klein stukje wit papier gelegd hadden om ’t in het halfduister beter te kunnen vinden, deden ze de vloeibare ijzerbrei er met één omhaal van de gietpan inloopen, dadelijk gaande naar den volgende vorm. Begaat de gieter hierbij een kleine onhandigheid, aarzelt hij even en laat hij het gietsel er niet inééns en in de juiste hoeveelheid invloeien, dan is het gegoten voorwerp bedorven. En aangezien de ijzergieters op stuk werken en de door hun schuld bedorven artikelen niet betaald krijgen, wordt er van hun een grote oplettendheid bij dit werk vereischt. Is de gietpan leeg, dan begeven ze zich weer naar het opengebroken hellegat, nemen weer plaats in de wachtende rij, om opnieuw aan de beurt te komen voor een nieuwe vulling en opnieuw het gedraaf met de gloeiende gietpannen door de zaal te beginnen. Onze oogen met de hand tegen de hitte beschermend, bleven we dit duivelengehol eenigen tijd staan aankijken, terwijl de heer Deurvorst ons inmiddels door eenige cijfers een denkbeeld trachtte te geven van wat hier omging, gaf hij het advies maar eens door te loopen ’t wordt hier wel wat te warm en ’t is slecht voor de oogen.!

Onderstaand gedicht illustreert de sfeer in de gieterij.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *


− 1 = acht