“Ariëns, is niet mooi maar zo lelijk als Toorop hem gemaakt heeft is hij ook niet”

Alphons Ariens door Jan Toorop 1907 (zwart krijt op papier) 29 x 28 cm. Rijksmuseum Amsterdam
Voorstudies portret Alphons Ariëns

Jan Toorop maakte het portret toen Ariëns (47 jaar oud) en pastoor in het Gelderse Steenderen was.

Toorop trok dus op een goede morgen naar de pastorie in Steenderen. Zijn sociaal gevoel was verwant aan Ariëns apostolische geest, maar hij had Ariëns nog nooit van zijn leven gezien of zelfs van gehoord. Hij kon hem aanvankelijk niet te pakken krijgen, Ariens voelde eerst niets voor om te poseren voor zijn portret, “Ze hangen je op en stoffen je af” ! Uiteindelijk stemde hij toch toe en toen hij zijn brevier zat te bidden maakte Toorop een vluchtige krabbel toen hij met zijn hoofd omlaag zat en stil aan het schrijven was legde hij in enkele karakteristieke rake strepen (zie bovenstaande voorstudies) zijn beeltenis vast. Als gewoonlijk plantte hij op het midden van zijn papier een oog, één enkel oog, wat kenmerkend is voor zijn psychologische wijze van portretteren. Hierna omgaf hij beide ogen met rimpels die de concentratie van de scherpe blik verhoogde en bouwde nu de kop van beneden naar boven hoe langer hoe verder omhoog tot zijn schedel bijna de rand van het papier raakte. Hij plaatste zijn handtekening en hiernaast ook de opdracht ” Voor het Ariënsfonds”. De scheve stand van het hoofd, de strakke ogen en de spitse oren hadden veel weg van een karikatuur. Het viel dan ook niet in smaak bij het Ariënsfonds die er meer een Mefisto in zagen dan een priester. Het werk werd niet verkocht al was de opbrengst voor het fonds bestemd. De ontelbare bijna volmaakte reproducties hadden aanvankelijk ook geen aftrek als “Devotieprenten”. Het orginele werk werd pas later aan een grote tabakshandelaar in Zürich verkocht en hierna kwam het in bezit van een niet-katholieke arts in Nederland.

Uit de Beiaard/ de Maasbode 25-03-1938 door Prof. Gerard Brom

Alphons Ariens (1860–1928)

Een bijdrage over de sociale wantoestanden in Ulft geeft onderstaande relaas goed weer, ook de weerstand die Ariëns ondervond om een katholieke werkliedenveniging op te richten kwam maar moeilijk van de grond.

Het was in het voorjaar van 1904. Ik vroeg aan dr. Ariëns zou er geen kans op zijn , dat we in den (Gelderschen) Achterhoek een propaganda-comité oprichtten, dat een band vormt tusschen de hier bestaande Kruisverbonden en nieuwe tracht op te richten? De grote dag kwam. Op ’t stationsplein te Terborg waren honderden Kruisverbonders met vaandels en banieren samengestroomd om openlijk getuigenis af te leggen van wat zij wilden. Nu ging het welgemoed naar Ulft waar wij door de Maria-vereniging werden afgehaald en waar pater van Aken uit Heeswijk op de hem eigen keurige wijze de propaganda-rede uitsprak. Wederom was ’t openingswoord aan dr. Ariëns die allen opriep ten strijde tegen den modernen vijand van Christendom en huisgezin. Wat was er gebeurd? Precies als overal nadat wij er geweest waren en een vereniging hadden opgericht met den welbekenden geestelijke adviseur uit de Katholieke Werkman kwam Ulft in rep en roer. Wij maakten de arbeiders op hol! Wij, zoo predikte de pastoor van den kansel, vielen mannen aan die “Roemswaardig” waren. Welke roemswaardige mannen hadden wij dan genoemd? De fabrikanten Becking & Bongers en Diepenbrock en Reijgers. Deze fabrikanten die den moed hebben de arbeiders met Fl 6,– à Fl 7,– naar huis te sturen wanneer zij een bovenmatig lange week achter zich hebben, zodat het gemiddelde loon per uur niet boven de 8 à 9 ct. komt. Die fabrikanten, die dulden dat bazen waar een een luchtje aan zit, boeten opleggen van kwartjes en guldens, zodat het meermalen voorkomt dat ze met Fl 2,– en Fl 3,– huiswaarts gaan, zelfs minder nog!! Wie nog meer als roemswaardig aan te duiden zijn? De onderwijzer, die van de armzalige dubbeltjes der arbeiders een goede klant is van alle kasteleins, de onderwijzer die na de jeugd te hebben geleerd op school ,zijn diensten aanbiedt op ’t kantoor van een der bovengenoemde firma’s en daar helpt aan te duiden hoe men de arbeiders moet uit betalen enz. Nog meer roemswaardige mannen? Zeker laten we er nog een paar noemen. Een der bazen is kerkmeester en lid van den raad en beweert dat Fl 5,– genoeg is om van te leven omdat zijn directeur dat ook zegt. Een andere baas welke een brave vechtersbaas genoemd wordt, blijft steeds gehandhaafd. Omdat wij bovenstaande in het st. Josephgebouw te Ulft hadden aangehaald daarom was Ulft in rep en roer. Toen we vertrokken waren ging die onderwijzer huisbezoek afleggen om tegen ons te waarschuwen, maar op de vergaderingen debatteren deed en durfde hij niet. Een hoofdacte kon hij niet bemachtigen en wat hij op die manier niet kan krijgen zoekt hij langs een andere kant en met een ijver, een betere zaak waardig. De heren kregen ’t benauwd, zo benauwd zelfs dat ze op ’n sukkeldrafje naar de marechaussee’s liepen om te vragen of diegene welke een strooibriefje in de fabriek had gebracht ook strafbaar was voor de wet. Ook werd er een overeenkomst onder de patroons van de Ulftse ijzergieterijen afgesloten, geen arbeiders van elkaar over te nemen. Hierdoor bereikten zij dat de arbeiders wel gedwongen waren op éen en dezelfde fabriek te blijven werken. Dit gaat des te gemakkelijker omdat deze werklieden hun eigen levensbehoeften verbouwen om zodoende te kunnen bestaan. Met Duits geld uit betalen, daar weten de heren ook nog wel woekerwinst te behalen. Toch was dit niet genoeg en voerden ze een 10 % loonsverlaging in. Dit werd echter teruggedraaid daar zij bang waren voor een staking! Echter enigen der oproerigste werklieden moesten eruit. In 9 dagen tijd maar liefts 14 man. Of de patroons weten dat de werklui worden doodgemarteld blijkt uit een gezegde van een der heren. Een werkman die hem vroeg om werk, kreeg ten antwoord ( deze werkman wilde van de ene naar de andere fabriek) Zij hebben daar het Vleesch gehad, laten ze jou botten (beenderen) ook maar houden !! Een der bazen liet de werklieden een voor een bij zich komen om ze uit te horen en te dreigen met ontslag. Het was zelfs zo sterk dat toen wij hadden geprotesteerd, dat het een schande was om een vormer, bekwaam voor zijn werk met Fl 2,73 naar huis te laten gaan, ook deze man werd gezegd dat hij zulks niet mocht vertellen, want als mijnheer het hoorde ging hij “er uit”. Een paar werklieden hadden niet het geld voor hun werk wat hun beloofd was ontvangen. Op hun vragen waarom niet was ’t antwoord van de baas, omdat je onder de bond bent!! Die bond zat hun dwars in de maag. Een der bazen beweerde dat wij de centen verzopen van de arbeiders en de patroon noemde ons straatvegers. De onderwijzer zei tegen de werklui, heb geduld de zaak komt terecht als jullie maar uit de bond gaan. Deze onderwijzer maakte ook een verslag van de vergaderingen gehouden in ’t st. Josephgebouw, na een rede van dr. Ariëns en Kamp uit Hengelo, propagandist voor de katholieken aldaar. De eerste met het onderwerp “Drankbestrijding” , de laatste met “het nut van organisatie”, maar dan op christelijke grondslag. Het verslag luidde aan ’t slot aldus:

“iedereen die weet dat het jeneverbruik in Ulft verbazend groot is en die niet onkundig is gebleven van de Socialistische stokerij der laatsten dagen, ook in onze plaats, zal moeten erkennen dat onderwerpen van belang zijn besproken. Moge de nawerking dezer redevoeringen het bewijs zijn voor het zo dikwijls uitgesproken woord: “de arbeider van Ulft is nog niet bedorven”. Een der Ulftsche heren werkgevers liep met een vischstaak (uitdrukking voor een vishengel) over de schouder door het dorp en zei; Laat ze maar staken, ik staak ook, doelend op zijn Vischstaak!

dr. Ariëns had gesproken en wij ook, dr. Ariëns keerde per rijtuig terug naar Terborg om vandaar verder te reizen per trein.

Onze opgerichte vereniging is heel spoedig van het toneel verdwenen en een nieuwe onderafdeling van de Volksbond is verrezen met prachtexemplaren van bazen als boven aangehaald als bestuursleden.

G. Elferink, Voorzitter van de metaalbewerkersbond

Als eerbetoon aan deze strijder voor sociale rechtvaardigheid is in Ulft een straat naar hem genoemd.

Uit: De Metaalbewerker No. 20 – 26 September 1903

Zelfs kinderarbeid zoals hier in het poetshok bij de DRU werd niet geschuwd. (1904)