Over Hennie Berendsen

Hennie Berendsen is Toorop liefhebber pur sang. Hij bezit een uitgebreide Toorop bibliotheek en collectie. Daarnaast is hij moderator bij JanToorop.com .

“Peinzende Kunstenaar met Engel tokkelend aan de Harp” 1921

Gekleurd krijt op papier 1921

Op 10 augustus 1921 schreef Jan Toorop vanuit Den Haag met het verzoek aan Frans Deurvorst of hij zijn werk “ Peinzende Kunstenaar met Engel tokkelend aan zijn harp” mocht lenen. Het was voor zijn tentoonstelling in Haarlem georganiseerd door Otto van Tussenbroek, directeur van het Museum van Kunstnijverheid aldaar. Hij garandeerde dat het transport beter zal verlopen dan de Duitse verzending uit Berlijn (secession). Ook schreef hij dat hij in oktober een tijdje in Ulft zou doorbrengen en zou er zijn “ driewiel hand beweeg “ mee nemen. “Met mijn poot gaat het hoe langer hoe slechter”!

De schoonzus van Frans Deurvorst Helene Nolet-Vonk de Both (1882-1967) woonde in Nijmegen. Zij genoot pianolessen van de bekende Nederlandse componist, pianist,dirigent en muziekpedagoog Wllem Kerper (1879-1946) deze was verbonden aan de muziekschool (maatschappij tot bevordering der toonkunst) te Nijmegen. Toorop maakte op een briefkaart een schets van haar pianolessen in 1912.

Anthony Nolet was voorzitter van de toonkunst en zelf een gevierd baritonzanger in Nijmegen (Koninklijke Zangvereniging Nijmeegs Mannenkoor). Ook internationaal trad hij op weliswaar in het naburige Duitse stadje Kleef.

uit: provinciale Geldersche en Nijmeegsche courant 13~12~1907
Anthony Nolet
Hélène Nolet-Vonk-de Both

Christus Eucharisticus Nijmegen 1909

Christus Eucharisticus 1909

Dit pastelwerk ( gedateerd ‘09 Nijmegen) van Jan Toorop was jaren eigendom van Anthony Nolet uit Nijmegen een zwager van Frans Deurvorst uit Ulft. In 1912 maakte het werk deel uit van de categorie Religieuze Kunst tijdens de expositie Kunst en Nijverheidstentoonstelling Oud-Heidelberg in Nijmegen (zie onderstaande catalogus).De tekening is in Art Deco achtige stijl ,wiskundig, mathematisch in bouw uitgevoerd de rechte lijn is er in alles en de rechthoekige driehoek. De Christus Eucharisticus reikt zijn lichaam in het sacrament aan geknielde frêle Zeeuwse kinderen, als model uiterst rechts beeldde hij zijn dochter Charley uit.

In 1924 kwamen veel werken uit de collectie van Nolet ,waaronder deze pastel, in veiling bij de fa, A. Mak te Amsterdam (4 november 1924 ) nr. 870) waarschijnlijk is het uitgevallen want op 15 mei 1928 veilde hetzelfde veilinghuis het werk opnieuw (veiling Atelier Toorop nr. 190 ) en dit bracht maar liefst hfl 4.400,—op. Op exposities in Zürich (1910) en Berlijn (1909) Berliner Secession (1912) droeg het werk de titel “Die Heilige Eucharistie” – Jesu und die Kinder . In 1994 was het voor het laatst te zien op een expositie in Middelburg afb. 92. Het bevindt zich waarschijnlijk in particulier bezit.

Detail

Onvrijwillige verkoop van de Ulftse IJzergieter uit 1920?

IJzergieter 1920 door Jan Toorop

Op 18 Augustus 1933 bevestigt de Gemeente Amsterdam dat het Stedelijk Museum de “IJzergieter” (1920) in bruikleen neemt voor een periode van vijf jaar. ( Dit naar aanleiding van een aanbod in Maart 1933) Bruikleengeefster is “Mw. H. van Leer-van Karnebeek, Honthorststraat 38 te Amsterdam. Op de oude inventariskaart heeft het werk het nummer: B 43. De IJzergieter 1920. 158 x 98 cm Gesigneerd L.O. : J.Th. Toorop 1920 Mw. H. van Leer Bruikleen 1933 Verder vermeldt de kaart: “retour eigenaar?? d.d.”

De Joodse familie van Leer
vrachtschip “De Morgenster”

Voor de Duitse inval wordt het werk op 1 september 1939 in veiligheid gebracht op een schip, “De Morgenster” (Archief sma folder 696, bescherming van kunstwerken in oorlogstijd, nr. 433: De IJzergieter (zonder nadere aanduiding)

Laatst gezien : Tentoonstelling Jan Toorop, SMA 4 okt.-2 nov. 1941, nr. 157 overgenomen van Centraal Museum Utrecht, 1 juli-1 september 1941; verlengd tot 7 sept.

Op 22 december 1942 kwam het werk in veiling bij S.J. Mak van Waay in Amsterdam onder lot.nr. 507. Dit veilinghuis sympathiseerde en collaboreerde met de Duitsers in de oorlog, die hun geroofde kunst meestal uit Joods bezit ter veiling aanboden. Joodse families werden ook onder dwang gezet en waren genoodzaakt onvrijwillig hun kunstcollectie aan te bieden. (Met dank aan dhr. van Lamoen S.M.A)

Stel je even voor december 1942. Zegt de kunsthandelaar c.q. veilinghouder tegen de Joodse eigenaar van het kunstwerk; misschien kan ik voor uw kinderen een onderduikadres regelen en voor u ook wel, maar dan wil ik wel dat u mij die Toorop verkoopt, natuurlijk voor de helft van de taxatiewaarde.
Wat een prachtige dochter hebt u trouwens!

Simon Mak van Waay (1875-1945)

Simon Mak van Waay vreesde tijdens de bevrijding dat hij de doodstraf zou krijgen voor zijn gecollaboreer met de Duitsers, hij suïcideerde zich op 5 mei 1945!

Tentoonstelling “Nederlandsche Schilderkunst”, Kunstzalen B. Pollmann, Broerstraat 36, Nijmegen, november 1943.

De kunsthandelaar: Bernard Pollmann (1866-1940) opende in 1890 een winkel in servies en huishoudelijke artikelen in Arnhem. Gaandeweg opende hij diverse filialen waaronder Broerstraat 36 in Nijmegen. Daar opende hij in november 1940 de Kunstzalen B. Pollmann, een paar maanden na zijn dood zal zijn zoon Bernard Johann Heinrich Pollmann ( *Arnhem 19 april 1894), die op 18 mei 1920 trouwde te Arnhem met Maria Johanna Hulst (Zevenaar 7 mei 1894). Na de oorlog (rond 1948) woont hij in de Mesdagstraat 32 te Nijmegen.

Het verwoeste pand na het geallieerde vergissingsbombardement op 22 februari 1944 te Nijmegen

Op 22 februari 1944 werd Nijmegen door de geallieerden gebombardeerd. Daarbij ging het grootste deel van het werk van Ger P. Adolfs (1897-1968) verloren. Hij had nog in September 1943 bij Pollmann geëexposeerd. Meer dan zestig schilderijen van Eugène Lücker (1876-1943) en vijftien van de Nijmeegse kunstenares Helena de Baat (1909-2005) werden vernietigd. Of Toorop’s werk de IJzergieter destijds is vernietigd dan wel voor die tijd verkocht werd blijft onduidelijk. Wellicht heeft Mr. W.M.A. Weitjens destijds Lid van de Hoge Raad 1941-1946 (tijdens de oorlogsjaren in Nijmegen gesitueerd) een bedenkelijke rol in de tot standkoming van eventuele aan/verkoop gehad en is het toch in handen van de Nazi’s belandt. Deze Weitjens (1897-1977) is bij uitspraak van het Tribunaal voor het Arrondissement ’s Gravenhage van 10 mei 1948 veroordeeld wegens zijn nationaal-socialistische gezindheid en dubieuze kunsthandel met de vijand. De rol van Weitjens in de Kunsthandel in Nederland tijdens de oorlog wordt beschreven in het in 1998 gepubliceerde boek Roof van G. Aalders en Kunsthandel in Nederland, 1940-1945 van Adriaan Venema over dezelfde periode, gepubliceerd in 1986. Weitjens wordt tijdens de oorlogsjaren namelijk ook genoemd in de aan/verkoop van een ander Tooropwerk “Het Gebed voor de Maaltijd” uit 1907 afkomstig van de Joodse familie Flersheim, op de achterzijde van dit werk (olieverf op karton) bevond zich een etiket met de naam “Collectie mr. W.M.A. Weitjens-Nijmegen) Saillant detail, W.M.A. Weitjens woonde in 1938 evenals mw. H. van Leer-van Karnebeek (eigenaar van de IJzergieter) in de Honthorststraat 46 te Amsterdam ,slechts 3 huizen van elkaar verwijderd. Het ligt voor de hand dat er gedurende die periode reeds contacten waren.!

De afbeelding van de Ulftse IJzergieter in zijn uitgebeelde fysieke kracht paste goed als propagandamateriaal in de Nazi-kunst met betrekking tot hun “Körperkultur” en ideaal beeld van de arbeider ten dienste van volk en vaderland. Het werk heeft veel overeenkomst met het kunstwerk van de Duitse kunstschilder Arthur Kampf (1864-1950) “Im Walzwerk”. Het in 1901 vervaardigde werk prijkte dan ook in 1939 uitbundig prominent in Hitler’s kunsttempel tijdens de grote expositie in het Haus der Deutschen Kunst in München. (nr./Jahr:533/1939 Saal:3

Arthur Kampf Im Walzwerk

Zäh wie Leder, hart wie Kruppstahl

Na de Tweede Wereldoorlog zijn een groot aantal rechtsherstelverzoeken afgewezen of hebben onderhandelingen geleid tot zeer nadelige schikkingen voor Joodse eigenaren. Zo werden Holocaustoverlevenden gedwongen afstand te doen van hun rechten in ruil voor “geldelijke compensatie”. Daarnaast werden verkopen aan de Duitse bezetter als “vrijwillige verkoop” gekwalificeerd, zelfs indien dit gepaard ging met bedreigingen, een te lage aankoopprijs was betaald, of nooit toegang tot het geldbedrag was verkregen omdat Joodse bankrekeningen werden bevroren! De geallieerden hebben veel geroofde kunstwerken opgespoord, waarna deze werden teruggevoerd naar het land van herkomst. Nationale overheden kregen de opdracht te gestolen kunstwerken terug te geven aan de rechtmatige eigenaren, maar de voorgenomen recuperatie botste in continentaal Europa op een weerbarstige bureaucratie en soms echt verkeerd handelen. In Zuid- Duitsland bijvoorbeeld zijn er na de oorlog vanuit de overheid zelfs kunstwerken niet gerestitueerd aan hun eigenlijke Joodse eigenaren, maar aan hoog geplaatste families in de Nazi-hiërarchie, waaronder de familie Göring, Hoffmann en Bormann. In 2014 baarde de vondst van veel nazi-roofkunst bij kunstverzamelaar Gurlitt nog voor veel opzien. Ook bevinden zich veel gestolen kunstwerken in museale collecties en wellicht stuiten we ooit nog eens op Toorop’s werk de “IJzergieter”.

“Engel der Eingebung” Inspiratie 1920.

Op de achterzijde prijkt nog gedeeltelijk het etiket van Deurvorst Den Haag en met krijt Deurvorst Ulft

directeur Frans Deurvorst bij zijn pensionering in 1927
v.l.n.r Marcel Deurvorst,Frank Deurvorst,Melchior Deurvorst, Eduard Deurvorst en Zeno Deurvorst.

Bovenstaande bijzondere pastel van Toorop is zowel in techniek , stijl en onderwerp typerend voor de laatste fase van de ontwikkeling van deze veelzijdige kunstenaar, waarin zowel zijn katholieke geloof als zijn gevoel voor mystieke spiritualiteit zijn werk bepaalden. We zien een engel en profil afgebeeld, die een in doeken gehulde man inspiratie influistert. Achter zijn hoofd bespeelt de engel een harp Vier engelen met bazuinen vullen de linkerbovenhoek. In de kop van de man kunnen we wellicht de middeleeuwse dichter Dante herkennen, die door Toorop vaak werd afgebeeld. Hij staat dan symbool voor de dichter of de kunstenaar die in zichzelf besloten, zich niet weet open te stellen voor het hogere. Zijn ogen gesloten, beschaduwd gezicht en de doeken die hem omsluiten tonen zich af te willen sluiten. De engel daarentegen wekt hem op en schenkt hem de hemelse inspiratie die hij nodig heeft. De stijl is een moderne verwerking van de eeuwenoude religieuze kunst die sinds de katholieke emancipatie in de negentiende eeuw weer een inspiratiebron was geworden voor kunstenaars.

Zo langzamerhand na 100 jaren valt de ééns zo gerenomeerde en befaamde Tooropcollectie van Frans Deurvorst (1857-1931) uit Ulft uiteen. Na het overlijden van nazaten werden de laatste 20 jaren al grote delen van deze collectie verkocht of geveild. Zowel musea als particulieren vullen voor exorbitant hoge bedragen hiaten in hun collectie op. Hoe lang zullen deze prijzen nog in stand blijven? In Oktober 2021 kwam dit fraai pastelwerk ( 93 x 89 cm) uit 1920 in de veiling. Werk van vergelijkbaar niveau is nauwelijks meer voor aankoop beschikbaar. Vooral het werk uit zijn symbolistische periode is momenteel erg gewild. Kunstwerken zijn echter gemaakt om hun maker en bezitters te overleven en zijn in die zin altijd al een boodschap en een geschenk aan komende generaties.

Ars longa Vita Brevis

In de literature: Just Havelaar, “De meesterwerken van Jan Toorop” Amsterdam 1923-1924, ill. No. 21.

Algemeen Dagblad, Van Kerk tot Beurs? Toorop’s “Inspirerende Engel” 18 January 1924.

Albert Plasschaert, “Jan Toorop”. 1925 Amsterdam, p. 56. No.8.

Eere tentoonstelling Jan Toorop . Pulchri Den Haag, 4 April-2 Mei 1928 No. 165.

De Moderne Boekhandel, “Jan Toorop Kalender” 1941 Amsterdam, ill. Maand Januari.

De Grafiek van Jan Toorop

Toorop’s grafisch werk, ontstaan tussen ongeveer 1890 en 1919 neemt in de prentkunst van Nederland een bijzondere plaats in. Het is niet alleen in ons land maar daarbuiten al spoedig opgemerkt. Bij Toorop ontstond er een lijnenspel dat zich to Jugendstil of Art Nouveau ontwikkelde en als zodanig de kunst zou veroverenen bij uitstek de grafiek. Een gevolg was ook dat de vrije, naturalistische geinspireerde ets en litho aan terrein verloor en schilders zich meer voor de illustratie van boeken begonnen te interesseren en dat ze vignetten, ook omslagen en banden van boeken en tijdschriften ontwierpen. Deze ontwikkeling vond haar neerslag in tijdschriften als The Studio (1893) in Engeland, Van Nu en Straks (1893) in België, PAN (1895), Simplicissimus(1895) en Jugend (1896) in Duitsland en Ver Sacrum (1898) in Oostenrijk. De nieuwe kunst en alles wat daarmee samenhing trok omstreeks 1910 al vrij vlug de belangstelling van het bedrijfsleven en dat wil zeggen van bedrijven waarvan de directeuren hun veranwoordelijkheid ten opzichte van de samenleving beseften.

Omstreeks 1914 maakte Jan Toorop voor Frans Deurvorst een ontwerp voor het beeldmerk van de D.R.U. Deurvorst zelf had een opleiding genoten in Frankfurt aan de Städelschule met naast kunstopleidingen ook onderwijs in tekenen en architectuur en had vandaar een kunstzinnig besef en interesse.

ontwerp villa Zeno
bouwtekening emailleerfabriek Diepenbrock & Reigers door de bekende architect Gerrit Beltman

Dat wel bleek uit de bouw van zijn fraaie eclectische villa Zeno nabij zijn fabriekscomplex in 1896. Daarbij bezat hij één van de grootste Tooropcollecties in particulier bezit. De DRU had inmiddels een innovatieve periode afgesloten, de nieuwbouw van de emailleerfabriek was afgerond en kon zich scharen onder de modernste emailleerfabrieken van Nederland. Om de klant te overtuigen van de kwaliteit werd het etiket een soort “kwaliteitslabel” en of garantiecertificaat. Het bedrijf had de Delftse professor in de metallochemie Kley in dienst die het emaille moest testen en keuren. In het verleden bleek nl. dat kleine stukjes emaille van het gegoten en geemailleerde product zich konden loslaten en appendicitis (blindedarmontsteking) konden veroorzaken.

Hoewel Toorop zich pas in 1905 tot het Katholieke geloof begaf maakte hij in 1901 bovenstaande bandomslag met religieuze motieven voor de Nijmeegse M.C. Nieuwbarn professor aan het Dominicuscollege.

voorstudie affiche Calvé Delft
Toorop Pandorra
Toorop Pandorra

Ook de affiche bereikte in deze jaren haar eerste hoogtepunten. Cabaret, toneelstuk, levensverzekering, levensmiddelen en gebruiksartikelen werden aangeprezen door de ontwerpen van de kunstenaars-grafici.

In 1908 werd de DRU in Denemarken bekroond met een zilveren medaille tijdens een internationale tentoonstelling over kookapparatuur en aanverwant kookgerei met alle soorten en maten gietijzer-en geëmailleerde casseroles. Het affiche/oorkonde is een ontwerp van de bekende Noorse/Deense schilder Louis Moe (1857-1945).

Amsterdam Rokin, expositie gebouw de Roos, 17 mei 1915.”Ik krijg alleen maar vleesch te zien”!

Anton van Welsem
Jan Toorop

Tijdens een expositie in Mei 1915 in de bovenzaal van het gebouw de Roos aan het Rokin te Amsterdam was de Ulftse kapelaan Anton van Welsem door Toorop uitgenodigd en kreeg van hem een persoonlijke rondleiding.

“Het was den 17den Mei 1915, dat ik het genoegen had met hem de tentoonstelling zijner werken in Amsterdam te bezoeken, waar wij dien dag de gasten waren van den bekenden uitgever L.J. Veen, waar toen juist uitgekomen was “Aan den Einder” van Miek Janssen.

Ik herinner me nog hoe hij lachend meetroonde naar een stukje “Rythmische golven” terwijl hij zei, knipogend naar een groepje bezoekers: “Ga eens mee, ’t is leuk zeg, wat die lui daar allemaal uithalen, uit die golven”! maar ik wilde u spreken over het portret van Mgr. Callier z.g. We stonden er samen voor toen hij op eens heel ex abrupt begon: “Ik heb het maar afgemaakt; ik kreeg telkens op mijn kop, dat ik het niet afmaakte, maar ik had er heel geen zin aan. Ik kon hem maar niet te pakken krijgen; die man (heel niet oneerbiedig bedoeld hoor!) hij geeft zich niet, ik krijg alleen maar vleesch te zien”. Wie weet hoe lang het geduurd heeft voor hij dr. Ariëns eigenlijk “te pakken” had zoals hij het noemde, begrijpt, dat Toorop er tegen op zag nog langer beslag te leggen op den tijd van Monseigneur, die zijn hekel aan het poseren dat hij als tijdverlies beschouwde, maar kwalijk vergen kon. Zeker is, dat Toorop zelf allerminst met dit portret ingenomen was en het à contre coeur afmaakte om er vanaf te zijn. Dit was althans de indruk die ik kreeg toen we er samen voorstonden en hij zich als het ware verontschuldigde dat hij er niet iets beters van had kunnen maken.

ANTON VAN WELSEM

Uit: Overijsselsch Dagblad 23-05-1928

Mgr. Callier oil on canvas 120cm x 100cm
17 April 1915

Voorpagina Katholieke Illustratie

Miek Janssen was echter over het portret van Mgr. Callier enthousiaster dan Jan Toorop getuige bovenstaande lovende woorden in haar beschrijving van het werk. Frans Deurvorst had voor de tentoonstelling die georganiseerd werd door Theo Neuhuys ook Tooropwerken beschikbaar gesteld, waaronder zijn levensgroot zelfportret uit 1914. Ook verschillende composities op emaille in prachtige, rijke. diepe kleuren, waren aanwezig. De meeste bestonden uit religieuze voorstellingen en sommige waren bedoeld om als wandversiering te dienen.

Uit: De Kunst Jrg 7 no.379 – 01-05-1915 valt het volgende verslag te lezen.

Jan Toorop heeft in zijn gewilde kubistische hoekigheid, enigszins fauvistisch, het zo karakteristieke van de heer Deurvorst weergegeven. Een fabrikant bij zijn fabriek in Ulft , wilskracht maar ook heersersmacht, met wat ruws en zorgelijks, door die diepe denkgroeven – hoe zou men mensen regeren zonder zware zorgen? Vrouw en kind, klein, op het tweede plan, tussen de fabrieksbeheerser en zijn fabriek, duidelijk symbool van de werkelijkheid in het leven van de grootindustrieel.

Londen Westminster
karikatuur van Kardinaal Gibbons uit Baltimore tijdens het internationaal Eucharistisch Congres in de Westminster kath. Londen 1908.

Annotatie door Jan Toorop Aan de Zeer Eerwaarde Priester en Dichter Anton van Welsem 1915

Waarschijnlijk was Toorop met zijn vrouw in Londen en waren beiden getuige van dit evenement. Kardinaal Gibbons was de zoon van een Ierse emigrant. Zijn vrouw Annie Hall was ook van Ierse komaf. Mogelijk kwam het tot een ontmoeting. In 1915 schonk Toorop het kleine werk , potlood op papier (12 x 15 cm) aan Anton van Welsem toen nog priester aan de Petrus & Paulusparochie in Ulft.

Ulft, 13 September 1918 : “Een Toorop voor één ons tabak!


Houtskool op papier gesigneerd en geannoteerd Ulft 13 september 1918
”Aan Anton van Welsem kap. St. Petrus & Paulus “


villa Zeno (omstreeks 1900)

Uit: Overijsselsch dagblad 08 maart 1928

Foto links: 1948 inmiddels tot pastoor te Maurik benoemd Anton van Welsem, rechts de gesloopte Cuyperskerk in Ulft.

interieur Petrus & Pauluskerk +/- 1930

Ter nagedachtenis aan het overlijden van Jan Toorop schreef Anton van Welsem ,toenmalig Ulftse kapelaan, een anekdotische herinnering over hem. Van Welsem werd in 1884 te Deventer geboren en werd in 1909 tot priester gewijd. Na enkele jaren in de parochie te Zieuwent hebben gewerkt werd hij in 1914 benoemd als kapelaan aan de Petrus & Paulus parochie te Ulft. Hier kwam hij in contact met Jan Toorop, deze verbleef met tussenpozen langere perioden in Ulft, zijn huwelijk met de Engelse Annie Hall verliep moeizaam bovendien verbleef zij veel in Engeland. Toorop vond gastvrij onderdak bij de familie Deurvorst en logeerde in hun fraaie villa Zeno.

Daar kon hij ongestoord werken en produceerde vele werken o.a. enkele kruiswegstaties voor de kerk in Oosterbeek. De Deurvorstfamilie bezaten vooraan in de prachtige oude Cuyperskerk enkele “Pachtbanken”. Toorop in 1905 Katholiek geworden vergezelde hen tijdens het kerkbezoek. De pastoor en zijn kapelaans waren op hun beurt ook trouwe gasten bij directeur Frans Deurvorst, het volgende verhaal ging dan ook in Ulft ten ronde, Deurvorst zou tegen de pastoor gezegd hebben “ Hou jij ze maar braaf en zoet, dan hou ik ze wel arm”!!
Kapelaan van Welsem prefereerde echter zijn contacten met de arbeiders boven die van deze werkgever. Hij had een brede belangstelling voor de kunst en het culturele leven. Behalve het priesterschap was hij ook medewerker aan vele katholieke streekbladen. Hij hield onder het latere pseudoniem “Toon van Maurik” radiocauserien , vertaalde bekende werken, schreef novellen, toneelstukken en gelegenheidsgedichten. Hij stond vooral bekend als de “Pastoor van de humor”. De vriendschappelijke band met Toorop resulteerde in 1915 samen op uitnodiging van uitgever L.J. Veen tot zijn tentoonstellingsbezoek in Amsterdam. In 1926 werd hij als pastoor benoemd in het Betuwse Maurik. Tijdens de 2e wereldoorlog raakte hij enkele maanden in gevangenschap door zijn anti nationaalsocialistisch gedachtengoed. In 1953 overleed hij in zijn geliefde Maurik.

DRU modelboek 1910, functionele versiering-versierde functionaliteit.


Jan Toorop

Tussen 1890 en 1914 was de Jugendstil of Art Nouveau een buitengewoon populaire kunststroming die in Europa opgang maakte. Een van de kenmerkende eigenschappen van Jan Toorop’s grafische werk is de uitgesproken voorkeur voor de lijn en het ritmisch lijnenspel. Bekend zijn dan ook de ontwerpen voor boekbanden en gelegenheidsgrafiek. Omstreeks 1910 ontwierp hij de bandversiering voor de productencatalogus van de Ulftse IJzergieterij en Emailleerfabriek Diepenbrock & Reigers. Hij raakte veelal geïnspireerd door Engelse voorbeelden uit de Arts en Crafts beweging met hun natuurlijke elementen. Hij bereikte in bovenstaand modelboek een fraaie versiering door een florale decoratie in acanthusmotief of distelbladeren weer te geven. In de randlijst zijn duidelijk de symmetrische Jugendstilelementen herkenbaar. Ook de typografie van de belettering waaronder het DRU vignet vond door zijn gekozen lettergrootte, spatiëring en regelval een goed harmonieus evenwicht in versiering en functionaliteit. Al was het maar voor een industrieel productencatalogus toch een mooi voorbeeld van functionele versiering en versierde functionaliteit. Het boek werd gedrukt door de Amst. Boek-en steendrukkerij v/h Ellerman, Harms & Co. Deze firma stond goed aangeschreven bij bekende Nederlandse kunstenaars in de grafische vormgeving.

Ontwerptekening voor onderstaand gelithografeerd briefhoofd +/- 1914

Bovenstaand briefhoofd is een fraai voorbeeld van de steengravure, fijn gearceerd met artistiek gekalligrafeerde firmanamen en de gedetailleerd weergegeven fabrieksgebouwen. Het maken van een tekening van een gecompliceerd fabriekscomplex kostte begin 20e eeuw al duizenden guldens. Het briefhoofd was dan ook een vroeg voorbeeld van bedrijfspresentatie.Op het briefpapier en de rekeningen van het bedrijf kwam buiten de afbeelding van het fabriekscomplex of hun producten soms ook op de tentoonstellingen behaalde medailles te staan. Het briefhoofd kon wel ⅓ deel van het briefpapier beslaan. Het gaf de firma een zekere status en moest vertrouwen kweken bij potentiële klanten. Over het algemeen waren de afbeeldingen enigszins geflatteerd en kreeg de omvang van het bedrijf een extra accent door het vogelperspectief dat werd gebruikt. Een belangrijk onderdeel van het briefhoofd was uiteraard de naam van de firma, het adres en de eigen producten. In tegenstelling tot het modelboek koos de directie nu voor een ander lithografisch bedrijf in Duitsland. De ontwerptekening is vervaardigd door een kunstenaar die verbonden was bij het gerenommeerde Duitse kunst/lithogr. bedrijf Carl Weddigen in Barmen/Wuppertal.

Toorop’s “Engelachtig” communiebruidje Cara Nolet uit 1916.

8
Anthony Nolet met zijn vrouw Hélène Vonk de Both en op de achtergrond het bewuste portret.( Foto waarschijnlijk genomen in 1957 aan de st. Annastraat 113 te Nijmegen tijdens hun gouden Huwelijksfeest)
(ingekleurde foto)
Toorop had aanvankelijk het idee om op de achtergrond het gezicht op Nijmegen aan te brengen. Het origineel is op hout getekend potlood, zwart-en gekleurd krijt ( 48 x 30 cm) gesigneerd en gedateerd re.boven J.Th. Toorop 1916

Toorop maakte in 1916 nog een fraai enigszins betoverend kinderportret. Het afgebeelde meisje Nora Leeuwenberg woonde eveneens in Nijmegen aan de Graafseweg 32. “

Nora Leeuwenberg 1916 Nijmegen
In 1898 maakte Toorop dit werk van Betsy Schultze tekening op papier met potlood, wit en gekleurd krijt (60 x 31 cm)

“Velen vinden in portretten de kracht van Toorop, zoals hij ’t karakter met de sporen van ’t leven, rimpels fijn als vezels van een blad, diep als plooien van een ziel, weet te bereiken. Maar waarom vindt iedereen zijn meisjesportretten ’t allermooiste? Is ’t om het teer ivoor profiel of het zacht zijden haar? Om de edele wimpers, het kuise voorhoofd ,de doordringende ogen (de ramen van de ziel) of de stille mond? In het gezicht van een kind leeft het paradijs nog na en in zijn onschuld lijkt het ideaal gerealiseerd!

Uit: de Beiaard 1916 Gerard Brom.

2 jongens uit de achterbuurt 1926

Toorop was wars van sociale gelaagdheid hij portretteerde zowel kinderen uit de gegoede milieus als bovenstaande portret van twee achterbuurt jongens Thijs en Henk. Hij zag niet de arme plunje en de onverzorgde jongenskoppen, maar hij ontdekte daarachter twee in de grond onbedorven kinderen. De linker jongen met zijn smaller gezicht en warrig sluikhaar zal moeilijk te leiden zijn, hij is ouder en niet zo geheel argeloos meer. Hij weet al wat meer van het leven en van de wereld. De trekken om neus en mond zijn niet meer zo mild en kinderlijk meer. Het broertje met het rondere kopje en de zachtere lijn van neus en lippen is veel argelozer. Zijn ogen staan geheel onbevangen, geen enkel geheim heeft hij te verbergen. Toorop schonk deze tekening aan de opvang ( de zusters) van het Reinildahuis in Den Haag.(opvanghuis voor ontspoorde kinderen).

2 zusjes uit de volks achterbuurt Den Haag 1925

Het portret van Cara Nolet is met andere Tooropwerken nog te zien t/m 19 September in museum Villa Mondriaan te Winterswijk.

TOOROP: Tussen Geloof en Hoop

“Ariëns, is niet mooi maar zo lelijk als Toorop hem gemaakt heeft is hij ook niet”

Alphons Ariens door Jan Toorop 1907 (zwart krijt op papier) 29 x 28 cm. Rijksmuseum Amsterdam
Voorstudies portret Alphons Ariëns

Jan Toorop maakte het portret toen Ariëns (47 jaar oud) en pastoor in het Gelderse Steenderen was.

Toorop trok dus op een goede morgen naar de pastorie in Steenderen. Zijn sociaal gevoel was verwant aan Ariëns apostolische geest, maar hij had Ariëns nog nooit van zijn leven gezien of zelfs van gehoord. Hij kon hem aanvankelijk niet te pakken krijgen, Ariens voelde eerst niets voor om te poseren voor zijn portret, “Ze hangen je op en stoffen je af” ! Uiteindelijk stemde hij toch toe en toen hij zijn brevier zat te bidden maakte Toorop een vluchtige krabbel toen hij met zijn hoofd omlaag zat en stil aan het schrijven was legde hij in enkele karakteristieke rake strepen (zie bovenstaande voorstudies) zijn beeltenis vast. Als gewoonlijk plantte hij op het midden van zijn papier een oog, één enkel oog, wat kenmerkend is voor zijn psychologische wijze van portretteren. Hierna omgaf hij beide ogen met rimpels die de concentratie van de scherpe blik verhoogde en bouwde nu de kop van beneden naar boven hoe langer hoe verder omhoog tot zijn schedel bijna de rand van het papier raakte. Hij plaatste zijn handtekening en hiernaast ook de opdracht ” Voor het Ariënsfonds”. De scheve stand van het hoofd, de strakke ogen en de spitse oren hadden veel weg van een karikatuur. Het viel dan ook niet in smaak bij het Ariënsfonds die er meer een Mefisto in zagen dan een priester. Het werk werd niet verkocht al was de opbrengst voor het fonds bestemd. De ontelbare bijna volmaakte reproducties hadden aanvankelijk ook geen aftrek als “Devotieprenten”. Het orginele werk werd pas later aan een grote tabakshandelaar in Zürich verkocht en hierna kwam het in bezit van een niet-katholieke arts in Nederland.

Uit de Beiaard/ de Maasbode 25-03-1938 door Prof. Gerard Brom

Alphons Ariens (1860–1928)

Een bijdrage over de sociale wantoestanden in Ulft geeft onderstaande relaas goed weer, ook de weerstand die Ariëns ondervond om een katholieke werkliedenveniging op te richten kwam maar moeilijk van de grond.

Dorpscentrum van Ulft
Petrus & Pauluskerk met st. Josefgebouw

Het was in het voorjaar van 1904. Ik vroeg aan dr. Ariëns zou er geen kans op zijn , dat we in den (Gelderschen) Achterhoek een propaganda-comité oprichtten, dat een band vormt tusschen de hier bestaande Kruisverbonden en nieuwe tracht op te richten? De grote dag kwam. Op ’t stationsplein te Terborg waren honderden Kruisverbonders met vaandels en banieren samengestroomd om openlijk getuigenis af te leggen van wat zij wilden. Nu ging het welgemoed naar Ulft waar wij door de Maria-vereniging werden afgehaald en waar pater van Aken uit Heeswijk op de hem eigen keurige wijze de propaganda-rede uitsprak. Wederom was ’t openingswoord aan dr. Ariëns die allen opriep ten strijde tegen den modernen vijand van Christendom en huisgezin. Wat was er gebeurd? Precies als overal nadat wij er geweest waren en een vereniging hadden opgericht met den welbekenden geestelijke adviseur uit de Katholieke Werkman kwam Ulft in rep en roer. Wij maakten de arbeiders op hol! Wij, zoo predikte de pastoor van den kansel, vielen mannen aan die “Roemswaardig” waren. Welke roemswaardige mannen hadden wij dan genoemd? De fabrikanten Becking & Bongers en Diepenbrock en Reijgers. Deze fabrikanten die den moed hebben de arbeiders met Fl 6,– à Fl 7,– naar huis te sturen wanneer zij een bovenmatig lange week achter zich hebben, zodat het gemiddelde loon per uur niet boven de 8 à 9 ct. komt. Die fabrikanten, die dulden dat bazen waar een een luchtje aan zit, boeten opleggen van kwartjes en guldens, zodat het meermalen voorkomt dat ze met Fl 2,– en Fl 3,– huiswaarts gaan, zelfs minder nog!! Wie nog meer als roemswaardig aan te duiden zijn? De onderwijzer, die van de armzalige dubbeltjes der arbeiders een goede klant is van alle kasteleins, de onderwijzer die na de jeugd te hebben geleerd op school ,zijn diensten aanbiedt op ’t kantoor van een der bovengenoemde firma’s en daar helpt aan te duiden hoe men de arbeiders moet uit betalen enz. Nog meer roemswaardige mannen? Zeker laten we er nog een paar noemen. Een der bazen is kerkmeester en lid van den raad en beweert dat Fl 5,– genoeg is om van te leven omdat zijn directeur dat ook zegt. Een andere baas welke een brave vechtersbaas genoemd wordt, blijft steeds gehandhaafd. Omdat wij bovenstaande in het st. Josephgebouw te Ulft hadden aangehaald daarom was Ulft in rep en roer. Toen we vertrokken waren ging die onderwijzer huisbezoek afleggen om tegen ons te waarschuwen, maar op de vergaderingen debatteren deed en durfde hij niet. Een hoofdacte kon hij niet bemachtigen en wat hij op die manier niet kan krijgen zoekt hij langs een andere kant en met een ijver, een betere zaak waardig. De heren kregen ’t benauwd, zo benauwd zelfs dat ze op ’n sukkeldrafje naar de marechaussee’s liepen om te vragen of diegene welke een strooibriefje in de fabriek had gebracht ook strafbaar was voor de wet. Ook werd er een overeenkomst onder de patroons van de Ulftse ijzergieterijen afgesloten, geen arbeiders van elkaar over te nemen. Hierdoor bereikten zij dat de arbeiders wel gedwongen waren op éen en dezelfde fabriek te blijven werken. Dit gaat des te gemakkelijker omdat deze werklieden hun eigen levensbehoeften verbouwen om zodoende te kunnen bestaan. Met Duits geld uit betalen, daar weten de heren ook nog wel woekerwinst te behalen. Toch was dit niet genoeg en voerden ze een 10 % loonsverlaging in. Dit werd echter teruggedraaid daar zij bang waren voor een staking! Echter enigen der oproerigste werklieden moesten eruit. In 9 dagen tijd maar liefts 14 man. Of de patroons weten dat de werklui worden doodgemarteld blijkt uit een gezegde van een der heren. Een werkman die hem vroeg om werk, kreeg ten antwoord ( deze werkman wilde van de ene naar de andere fabriek) Zij hebben daar het Vleesch gehad, laten ze jou botten (beenderen) ook maar houden !! Een der bazen liet de werklieden een voor een bij zich komen om ze uit te horen en te dreigen met ontslag. Het was zelfs zo sterk dat toen wij hadden geprotesteerd, dat het een schande was om een vormer, bekwaam voor zijn werk met Fl 2,73 naar huis te laten gaan, ook deze man werd gezegd dat hij zulks niet mocht vertellen, want als mijnheer het hoorde ging hij “er uit”. Een paar werklieden hadden niet het geld voor hun werk wat hun beloofd was ontvangen. Op hun vragen waarom niet was ’t antwoord van de baas, omdat je onder de bond bent!! Die bond zat hun dwars in de maag. Een der bazen beweerde dat wij de centen verzopen van de arbeiders en de patroon noemde ons straatvegers. De onderwijzer zei tegen de werklui, heb geduld de zaak komt terecht als jullie maar uit de bond gaan. Deze onderwijzer maakte ook een verslag van de vergaderingen gehouden in ’t st. Josephgebouw, na een rede van dr. Ariëns en Kamp uit Hengelo, propagandist voor de katholieken aldaar. De eerste met het onderwerp “Drankbestrijding” , de laatste met “het nut van organisatie”, maar dan op christelijke grondslag. Het verslag luidde aan ’t slot aldus:

“iedereen die weet dat het jeneverbruik in Ulft verbazend groot is en die niet onkundig is gebleven van de Socialistische stokerij der laatsten dagen, ook in onze plaats, zal moeten erkennen dat onderwerpen van belang zijn besproken. Moge de nawerking dezer redevoeringen het bewijs zijn voor het zo dikwijls uitgesproken woord: “de arbeider van Ulft is nog niet bedorven”. Een der Ulftsche heren werkgevers liep met een vischstaak (uitdrukking voor een vishengel) over de schouder door het dorp en zei; Laat ze maar staken, ik staak ook, doelend op zijn Vischstaak!

dr. Ariëns had gesproken en wij ook, dr. Ariëns keerde per rijtuig terug naar Terborg om vandaar verder te reizen per trein.

Onze opgerichte vereniging is heel spoedig van het toneel verdwenen en een nieuwe onderafdeling van de Volksbond is verrezen met prachtexemplaren van bazen als boven aangehaald als bestuursleden.

G. Elferink, Voorzitter van de metaalbewerkersbond

Als eerbetoon aan deze strijder voor sociale rechtvaardigheid is in Ulft een straat naar hem genoemd.

Uit: De Metaalbewerker No. 20 – 26 September 1903

Zelfs kinderarbeid zoals hier in het poetshok bij de DRU werd niet geschuwd. (1904)