Schets van de IJzergieter 1920

schets en origineel van de Ulftse IJzergieter 1920

LIJNEN , VORMEN EN KLEUREN

Uit: Tijdschrift voor Godsdienst, Wetenschap en Letteren Jrg. 73 -1941 door J.W. Kerssemakers S.J.

Een uitgebreide en uiterst gedetailleerde beschrijving van de IJzergieter die Jan Toorop in 1920 maakte bij de DRU te Ulft, Kerssemakers geeft op treffende wijze de belevenis van Toorop weer.

**********

Schets (croquis) van een ijzergieter, door Jan Toorop.— Dezen keer toon ik u een voorstudie, of liever: de eerste notitie-naar-het-leven, van één van Toorops IJzergieters. Doch deze schets zegt mij honderd maal meer dan de wel fraaie, maar ook zoveel tammere definitieve teekening, zoals zij “officieel” het licht zag. Zeker: tot volle rijpheid in rust is deze eerste worp op het papier aanvankelijk nog niet gekomen. Hoe langer wij de schets echter bezien, des te meer ontdekken wij er de elementen in van levensechtheid en innerlijke kracht. Wel zal de leek op het interessante terrein der krabbels en ontwerpen ze moeten leeren “lezen”. Laat ik dan trachten ze voor u te “spellen” en spoedig zal, zoo hoop ik, blijken, dat het “verwarrende” van deze vlotte notitie, datgene wat haar schoonheid voor het ongeoefend oog verbergt, niets anders is dan juist: haar onmiddelijk contact met het volle nog ongelouterde leven. Beginnen wij met zoo nauwkeurig mogelijk vast te stellen, wat we zien. Een IJzergieter, die den zwaren gietpan tilt. Hiervan zien wij slechts den steel; den bak, die 25 á 30 pond vloeiend ijzer van de gietpan naar den gietvorm brengen kan, zien we niet. Maar wel voelen we in alles, dat het een zware last is dien deze man tilt. Het naakte bovenlijf, het verhitte gezicht, verraden ons den gloed van het werk.–De achtergrond biedt niet een reéele weergave van het milieu waarin het bedrijf wordt uitgeoefend, maar is een symbolisch décor, geheel in Toorop-stijl. Links, achter ’s mans rechterarm, zien we een brugboog die zich weerspiegelt in een water (de drie horizontale lijntjes; dat de verticale lijn van de brugopening in de weerspiegeling gebroken is, schijnt het gevolg van plaatsgebrek; op de teekening is hier meer ruimte gemaakt en loopt de lijn rechtdoor). De zwaardere lijn boven den boog (de lijn die den schouder raakt) is de rand van de borstwering; iets hoger, parallel met genoemde lijn, de aanzet van den anderen brugrand. Direct aansluitend aan deze lijn kan men, met eenige moeite, drie paardenkoppen onderscheiden (op de definitieve teekening zijn het er vier) : de drie koppen der ruiters ziet u terstond. de drie dunnere krabbels, die den voorsten brugrand snijden zijn de beweging der gestrekte in den wind waaiende mantels. Boven de ruiters uit: twee piramiden. het wigvormig stuk op de borst van het eerste paard kan ik niet thuisbrengen. Op de teekening vormt de knie van den eersten ruiter met de borst van zijn paard en den rand van de brug zulk een “wig” — of Toorop hier dus dit motief al door den geest, speelde ? Zeker is deze nog erg onvoldragen. Zonder de hulp van de latere teekening zou men er moeilijk achter komen, wat hier groeiende is. Aan den anderen kant, om den achtergrond meteen maar af te werken, de aanzet van twee vrouwenfiguurtjes, die later biddend-geheven handen zullen krijgen en slanke, in verticaal lijnenspel opgaande gestalten. Wie Toorop kent, kent ook dit soort figuren. Was in den achtergrond nog een zekere onbepaaldheid: in de figuur is alles even raak, behoudens op één punt een nog niet opgeloste dubbele gedachte. om dit beter te zien beginnen we links onderaan. Vier lijnen vormen hier de broekspijp. De meest linkse lijn loopt tot aan de heupen op. Een rand of gordel is op dit punt niet aangegeven (meer rechts wél). Inderdaad enigszins verwarrend is, dat de buitenlijn van de romp hier rechtstreeks overgaat in eenzaat een plooi van de broek schijnt te zijn. Het lijkt mij, at hier twee beenstellingen in het spel zijn: het vijfde lijntje hoort bij den tweeden stand. Deze heeft het op de teekening gewonnen, mét de doorlopende lijn : rompbeenprofiel. De meest-linksche lijn is er weggewerkt (slechts enkele hoekige plooien, zoals men er één, naast de hand, in aanzet ziet, omspelen daar heup en dijbeen), terwijl het vijfde lijntje, tot het kruis doorgetrokken, de broekspijp begrenst, samen met de tweede lijn van links. Duidelijker is daarmee echter de houding van den man op de teekening niet geworden: de draai in den romp is té groot voor dien beenstand. ook spant er in de schets, ondanks dit onopgeloste detail, een veél grootere kracht in den benen. Met een paar krachtige trekken zien we hier heel hun machtig schoren door den strakgelijnden plooival heen. En hoe geweldig rijst daarop die romp. Kras de schaduw in de van inspanning ingetrokken buikholte ; de ribben: twee trekken! de tweetoppige lijn op den linkerschouder is , naar schildersgebruik, de aanwijzing van een licht-en-schaduwgrens; hier: van den schaduwval van het hoofd op den linkerschouder.

Hoe zorgvuldig volgt die lijn elk reliéf van de spieren onder de huid. De linkerarm, die het meest den last torst en in een fel slaglicht is gezien: één wringen en wentelen van spierbundels. Let ook op de prachtige contouren van dezen arm! Den rechterarm, die den steel meer bestuurt, zag Toorop minder fel in licht-schaduw-contrast: uiterst interessant is het echter de omtreklijntjes na te gaan, waarmee hij hier de lichte en donkere partijen aangeeft. De omtrek van dezen bovenarm is knoestig als een lange eikenstam. De pols is geweldig; hij lijkt wat te plat, maar dat komt omdat er nog geen schaduw in den zijkant ligt. de greep van de vingers is kort maar krachtig vastgehouden; en voor het spel van spieren, beentjes en aderenop den rug van den hand was hem een net van ruitjes voldoende! Het hoofd zal menigeen weinig bekoren — en toch is die kop iets prachtigs! Die verbeten mond in de gloeiende wangen, die pluk haar op het bezweete voorhoofd, die ietwat toegeknepen oogen in lichte kassen, met (vooral aan het rechteroog) den schaduwrand van onderen : is dat niet geweldig raak ? De schedel schijnt misvormd, maar het boven platgeplakte haar valt opzij in een gulp uit, vandaar die vorm. Dat de rand van de teekening eng aan het hoofd stoot, geeft aan de figuur nog méér dat accent van samengebalde kracht, als van een elementair natuurgeweld. Bij de definitieve uitvoering heeft vooral die kop veel geleden, omdat hij te “mooi” geworden is. De neus en mond zijn er regelmatig, nobel zelfs; de oogen, met neergeslagen leden, liggen “normaal” in beschaduwde diepte. De romp is geglad tot een mooie “blanke borst”. Alleen in de armen en handen woelt nog de oerkracht na, zoals ze Toorop het eerst trof: toen hij den ijzergieter in de hitte van den arbeid zag; één brok daverend levensgeweld! Daarachter lokt het water met zijn koelte; gehelmde ruiters draven over de brug; eeuwige piramiden teekenen de kimmen—terwijl de huizengevels rijzen als stille bezinning en gebed. De veredelende rust is ten slotte ook over dezen zwoeger gekomen: hij werd een “schoone” ijzergieter. Maar ik acht mij toch gelukkig, hem in zijn eersten staat te hebben ontdekt ……….

J.W. Kerssemakers S.J.

IJZERGIETERIJ DRU +/- 1930

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *


drie × 9 =